‘Human Requiem’ brengt zang overweldigend nabij

Het meest betoverende moment van Human Requiem is het begin. Het publiek heeft zich in plukjes over de kaal gestripte grote zaal van de Rotterdamse schouwburg verspreid, op kousenvoeten en daarom wat onwennig. Toeschouwers nemen elkaar nieuwsgierig op – normaal zit je in schouwburgstoelen immers recht vooruit te staren. Als de eerste noten klinken van Selig sind, die da Leid tragen stijgt de spanning voelbaar: waar zijn de zangers van het Rundfunkchor Berlin?

Dan klinkt zacht, aarzelend ‘Beati.. Beati gli afflitti’. Niet vóór ons, op een podium, massaal, collectief; maar intiem, klein en dichtbij. Gezongen door één man, vlak achter je oor – o nee, daar nog één, en verderop een vrouw. Ze waren al die tijd al onder ons. Die nurkse, middelbare man naast je? Een zalvende bariton. Die grijze muis met zware bril? Een stralende sopraan. Her en der klinken hun stemmen op en voegen zich tot één geheel. Magisch.

In Human Requiem hebben regisseur Jochen Sandig en choreograaf Sasha Waltz de koorpartijen van Brahms’ Ein deutsches Requiem volledig ontrafeld. In deze versie voor solisten, koor en piano vierhandig komt elke noot uit een andere hoek, en is het unieke geluid van ieder koorlid te onderscheiden. Iedereen is hier solist.

Voor de 65 zangers creëerden Sandig en Waltz een functionele, minimale choreografie. Tussen het publiek zoeken ze elkaar op, klitten aaneen en splitsen weer op. Onmerkbaar verzamelen de mannen zich vlakbij, om schitterend zwaarmoedig Denn alles fleisch es ist wie gras te somberen. Zelfs de tikje kitscherige vondst van zangers op schommels pakt goed uit, door het vederlichte aanzwellen en wegsterven van hun klank. Solisten Sophie Klussmann en Jochen Kupfer slaan zich charmant door een andere drakerige regie-ingreep, met Klussmann als beeldschone opgebaarde geliefde, en Kupfer getergd in zijn rouw.

Maar het zijn de koorpartijen die blijvend de adem benemen, nog lang na de initiële verrassing. De zangers lopen rond, kijken je aan, zingen voor jou. Hun zang kietelt je oorschelp, en weerklinkt in alle hoeken van je hersenpan. De lage noten trillen in de onderbuik, de hoge doen de hoofdhuid prettig tintelen. Continu ben je omringd door geluid. Het verlies aan korische slagkracht, toch een gevaar bij deze versnippering, wordt ruimschoots gecompenseerd door de intense en ontroerende nabijheid van de zang.

Je kan het een gimmick vinden, en Brahms’ Requiem is ongetwijfeld wel eens beter uitgevoerd. Maar wie verkiest niet de wildsafari boven de dierentuin? In plaats van dat we tegen een koor aankijken, bewegen we ons er hier tussen, zitten er bovenop, er middenin. En de impact is verpletterend. Dichtbij, persoonlijk, overweldigend – zo moet muziek zijn bedoeld.