Geen stress, diep in de zee

Ariël, de Kleine Zeemeermin, wilde graag benen, maar wij weten dat het op den duur gaat vervelen. Wij willen ook weleens door het water schieten als een zeemeermin. Carlijn Teeven probeerde het.

Wie zeemeermin wil worden, moet eerst oefenen op het strand. Dat leerde Carlijn Teeven (uiterst rechts) op een strand in Spanje. Foto Manu Fernandez

Mijn staart zit vol zand, ik ben een lens kwijt en heb een halve liter zeewater ingeslikt. Proestend kom ik boven. ‘Muy bien, Carolina!’, roept juffrouw Susana enthousiast. Goed?, denk ik, terwijl ik m’n bikinitopje rechttrek en de natte haren uit m’n gezicht wrijf. Ik had me mijn bestaan als zeemeermin toch ietsje charmanter voorgesteld.

Twintig jaar nadat ik Ariël en haar vriendjes voor het eerst op videoband zag, gaat mijn sindsdien diep gekoesterde wens vandaag in vervulling. In de Spaanse stad Tarragona, een stad op een uur rijden van Barcelona, werd begin augustus de eerste Europese Academie voor Zeemeerminnen geopend. Volgens Susana en Alejandro, het stel dat de Academia de Sirenas oprichtte, is zwemmen met een vissenstaart een ideale work-out, en goed voor buik- rug en beenspieren.

Dat is bijzaak. Waar het om gaat is dat ik eindelijk een echte zeemeermin zal worden. Dat ik 24 ben en me inmiddels heb gericht op een andere carrière, doet er even niet toe. De dagen voorafgaand aan de cursus kijk ik twee keer naar De Kleine Zeemeermin, zing ik ‘Diep in de Zee’ en baal ik dat ik laatst een groot stuk van m’n haar af heb laten knippen (zó niet Ariël).

Het moet wel sexy blijven

Toen Susana, die voor €39 per les sinds augustus deze cursussen geeft, me per mail vroeg een stevige bikini mee te nemen, had ik natuurlijk kunnen weten dat het er tijdens haar les iets ruiger aan toe zou gaan dan in de film. Ariël had van die mooie schelpjes over haar borsten en ik moest me in een lelijke Speedo-top hijsen. Bij aankomst bleek ik haar advies toch iets te serieus te hebben genomen. Het moet natuurlijk wel sexy blijven – Susana’s woorden. De docente zelf lijkt zo uit een Disneyfilm te komen, met haar smalle figuurtje en blonde krullen tot aan haar billen. Ze reikt me een minuscuul blauw topje met schubbenprint aan. Een beetje gegeneerd vraag ik een van de andere cursisten om de touwtjes zo goed mogelijk vast te knopen.

We zijn met een groepje van zes ‘studenten’: drie vrouwen, een pubermeisje, ikzelf en een jongen, die ik een jaar of achttien schat. De Tritón, wordt hij door de docente genoemd: watersalamander in het Spaans en de vader van Ariël. Hij kijkt wat ongelukkig.

De cursus, ook speciaal voor kinderen, bestaat altijd uit maximaal acht deelnemers, zodat Susana het overzicht kan bewaren en het niet gevaarlijk wordt. Normaal gesproken krijgen beginners eerst les in het zwembad, voordat ze, meestal een dag later, de zee in mogen. Waarom we het zwembad vandaag overslaan, wordt me niet helemaal duidelijk, maar ik vind het prima: dit is natuurlijk een stuk echter.

We staan in een afgelegen baaitje op het strand, met links en rechts grote rotspartijen.

Paniek

Als ik naar de zee kijk, krijg ik het wat benauwd. Eigenlijk kan ik helemaal niet zo goed zwemmen. Tijdens een surfvakantie in Frankrijk is de reddingsbrigade er zelfs eens aan te pas gekomen. En ik werd niet eens gered door een knappe prins, maar door een dikke, roodverbrande lifeguard. De paniek slaat toe: hoe moet dat nou als straks m’n benen aan elkaar zitten in die strakke staart? Wat als het me niet lukt om omhoog te komen?

Ontspannen, dat is belangrijk, vertelt Susana, want: „het leven in zee kent geen stress.” Daarom begint elke les met wat oefeningen op het strand. Eerst maken we de enkels los door ze naar buiten en naar binnen te draaien. Dan moeten we rondjes draaien met de knieën – handen op de bovenbenen, kont naar achteren. Het kraakt. Ten slotte doet Susana de zonnegroet voor. De jonge Tritón weet niet goed waar-ie kijken moet als de juffrouw zich langzaam uitrekt. Volgens mij is iedereen blij als we klaar zijn.

Ik kan niet wachten om de staart aan te trekken. Het moment waar ik al de hele week (eigenlijk al m’n hele leven) naar uitkijk. Maar de staart mag pas aan als we in het water zijn. Logisch: lopen kan natuurlijk niet.

Susana legt uit hoe we ons door het water moeten bewegen. „Maak gebruik van de golven”, zegt ze. „Laat ze je meenemen.” En: „Doe alsof je een dolfijn bent. Plaats je handen voor je hoofd en maak golvende bewegingen met je heupen. Let ook goed op je ademhaling. Haal drie seconden diep adem voordat je onder water gaat. Doe je mond niet wijd open, maar laat de lucht langzaam binnenkomen. Eenmaal onder water buig je je knieën, strek je je benen naar boven en klap je met je staart op het water.” En dat dus allemaal tegelijk. Gelukkig heb ik in de film al gezien hoe het moet.

Als iedereen een staart – passend bij het bikinitopje (Tritón krijgt een groene) – heeft, mogen we het water in. We zijn in groepjes van twee verdeeld, zodat we elkaar kunnen helpen bij het aantrekken van de staart. En dat valt nog niet mee. Eerst de rechtervoet, dan de linker. Bij elke golf word ik een stukje meegesleurd. De illusie dat mijn à la zeemeermin geborstelde haren, eyeliner en mascara mooi zullen blijven zitten, laat ik snel varen.

Geeft niets. De staart is aan: ik ben zeemeermin! Uit puur enthousiasme duik ik meteen naar de zeebodem (ik kon hier nog gewoon staan) en probeer vast wat bewegingen uit. Maar dat vindt Susana geen goed idee. „Goed opletten, Carolina!” Zij doet éérst de oefening voor.

Na tien minuten ben ik kapot. Ik probeer de lessen in de praktijk te brengen en me tegelijkertijd zo elegant mogelijk door het water te bewegen, terwijl het zout in mijn ogen prikt en één van de cursisten per ongeluk haar staart tegen m’n hoofd slaat. Een work-out is het zeker, merk ik de volgende dag aan de spierpijn in mijn benen.

Maar echt charmant, zoals Ariël ons deed geloven?

Niet bepaald. Als een verzopen kat kom ik het water uit. Gelukkig geen knappe prinsen op het strand.