En dan heeft de agent het al gezegd

Man verongelukt, naakt op de vluchtstrook, met stagiaire. De heldin van de nieuwe, wervelende roman van Esther Gerritsen laat zich niet intomen door het weduwschap.

Illustratie Paul van der Steen

Het is hoe dan ook een beeld dat beklijft, op pagina 103 van de nieuwe roman van Esther Gerritsen. ‘Louise zit met de laptop met een smurfen-dvd op haar kamer. Roxy neukt op de bank met de begrafenisondernemer.’ De even geestige als onchique combinatie komt uit het hoofd van de vrouw die is verkozen tot uithangbord van de Nederlandse literatuur: het portret van Esther Gerritsen (1972) staat vanaf deze herfst op de Boekenbon.

De context van de scène: Roxy is een 27-jarige vrouw die tien jaar eerder haar ouderlijk huis is ontvlucht (moeder alcoholiste, vader trucker) en in de armen van de veel oudere Arthur belandde. Ze zijn getrouwd en Louise is hun drie jaar oude dochtertje. De begrafenisondernemer is kort daarvoor in Roxy’s leven gekomen nadat Arthur was verongelukt. Wie ook in de auto zat: zijn stagiaire. En, zoals de slecht-nieuwsagente bedremmeld zei: ‘Ze waren naakt. Ze zijn aangereden op een vluchtstrook. Ze zijn naakt gevonden.’

Zo is Roxy in één keer dubbel verlaten. Niet alleen is haar man dood, hij bleek ook toen hij leefde al deels bij haar vertrokken te zijn. Voeg daarbij de driejarige die steeds ‘Waar is papa’ vraagt en je hebt alle ingrediënten voor een tranentrekker van het meest drakerige soort. Maar zo is Roxy niet. Niet dat Roxy niet in de war is. Dat blijkt al op de eerste avond, wanneer zij simuleert een bekende te bellen om verlost te worden van de agenten die haar hebben gezegd dat haar man dood is.

Daarna ontvlucht ze in rap tempo de realiteit. Eerst dus met de begrafenisondernemer – en vervolgens vertrekt ze met haar dochter, de oppas en de voormalige assistente van haar man in de auto richting Frankrijk. Onderweg laat ze nog meer mannen zich aan haar vergrijpen, waarbij haar relatie tot de twee andere vrouwen logischerwijs verslechtert. Roxy betaalt weliswaar alles, maar door haar geslotenheid en haar intens egocentrische gedrag is de lol er voor de anderen al snel af. Want de oppas en de assistente tonen in tegenstelling tot Roxy wél verdriet om de gestorven Arthur.

Wereldvreemd

Zoals vrijwel alle personages in de boeken van Esther Gerritsen (1972) heeft Roxy een dubbelhartige verhouding met de werkelijkheid. Een tikje wereldvreemd zijn de vrouwen in Gerritsens boeken meestal – en ze zijn niet zo goed met conventies. Dat geldt ook voor Roxy, maar omdat de conventie in haar geval diep en ernstig verdriet voorschrijft, geeft haar afwijking het boek iets lichts. Wat Gerritsen er niet van weerhoudt om terloops het hele psychologisch handboek langs te lopen: de ontkenning, de woede, het verdriet, de wraak op de ontrouwe echtgenoot – het staat er allemaal onnadrukkelijk in. Net als de vaderband en moederhaat van de 17-jarige wegloopster.

Gerritsen voert je in dit rouwverhaal van de ene vreemde wending naar de andere. Dat begint al in de tweede alinea, waarin de agenten voor de deur staan: ‘Ze gaat uit van het ergst mogelijke, haar man kan dood zijn, hij is altijd bang om een hartaanval te krijgen, hij valt in de risicogroep. Nu kan het alleen nog maar meevallen. Dan heeft de agent het al gezegd.’ Die laatste twee zinnetjes zijn tekenend. Roxy is zo druk is met nadenken over wat een situatie kan betekenen dat ze het werkelijk betekenisvolle moment mist.

Even vreemd zijn haar associaties. Zo verdwijnt de loden ernst uit het gesprek met de agenten door Roxy’s plompverloren vraag ‘Zit zijn pik er nog aan’, alsof het om een mogelijk verloren voorwerp gaat. Hetzelfde geldt voor het verleiden van de doodgraver en het plotselinge besluit op vakantie te gaan. Er valt veel te lachen in Roxy. Overigens niet wanneer Roxy tegen het einde van de roman werkelijk over de schreef gaat – als de Partij voor de Dieren ooit aan de macht komt, wordt deze roman verboden.

Intussen toont Gerritsen heel sterk wat haar heldin voelt als ze op haar wangedrag wordt betrapt: ‘Roxy knikt en geniet van hun gezichten waarop de waarheid langzaam doordringt. Eerst de verbazing en dan die totale aandacht voor haar.’ In de woorden van een van de reisgenotes: ‘Arthur zei wel dat je gestoord was, maar ik wist niet dat het zo erg was.’ Dat raakt aan een van de vragen die de roman oproept: is Roxy gek van verdrongen verdriet en woede, of werd haar gekte eerder alleen maar aan het zicht onttrokken door de aanwezigheid van haar man? Als Roxy in de loop van de reis steeds bozer wordt, windt ze zich erover op dat er ‘betere ellende dan dit niets’ zou moeten zijn, ‘iets wat om actie vraagt, een gevecht […] Zonder Arthurs stem die zegt dat ze het zich inbeeldt. Was dat ook een leugen, dat haar angsten ingebeeld waren?’

De hoofdpersoon heeft inderdaad niet veel ervaring met de buitenwereld: ze zit meestal op haar kamer te schrijven. Tien jaar geleden heeft ze een succesvol, maar oppervlakkig boek geschreven over haar ouders, nu levert het allemaal nog maar weinig op. Dat amper uitgewerkte schrijverschap van de weinig reflexieve Roxy is een van de schaarse zwakke kanten van de roman. . Door de omstandigheden gedwongen wordt de weduwe uit haar hok gejaagd en daar waar je zou verwachten dat ze radeloos wordt, blijkt ze verrassend besluitvaardig. Slechts een klein deel van haar beslissingen is verstandig, maar het zijn in elk geval besluiten.

Buitenwereld

Dat maakt dat je Roxy niet zozeer leest als een roman over rouw, maar veel meer als een bevrijdingsverhaal. Tien jaar eerder werd Roxy door Arthur bevrijd van haar ouders, nu moet ze zichzelf zien te bevrijden, al ontdekt ze in de loop van haar reis pas waar haar gevangenschap nu precies uit bestaat – en waaruit niet. Zo is het boek ook geschreven: met een buitengewoon goed humeur, in een hoog tempo, geestig, vlot, dicht op de huid van de hoofdpersoon en met een onmiskenbare drang naar de volgende gebeurtenis, de wereld ín. Zo goed op dreef was Gerritsen nog niet eerder: ze lijkt zelf ook wel bevrijd te zijn. Roxy is een boek waarin de complexiteit van de wereld, van liefde, verdriet en wat daar zoal voor doorgaat, op verrassend ongecompliceerde wijze wordt getoond.