Dwing mij niet om afstand te nemen van de Islamitische Staat

Illustratie Ruben L. Oppenheimer

“Ik heb niets met hen gemeen, hoogstens de kleur van mijn haar”, aldus schrijver Özcan Akyol over de “barbaarse baardmannen” van IS in onderstaand opiniestuk. Hij laat zich daarom niet dwingen afstand te nemen van de terreurorganisatie. Gemiste kans, meent ex-gijzelaar Arjan Erkel in een reactie. “Juist afstand nemen van IS helpt bij het bijschaven van de karikatuur.” Bijval krijgt Akyol van Merit Cerit, hoofdredacteur van Zaman. Die is er moe van dat moslims “keer op keer uit moeten leggen dat een moslim geen terrorist kan zijn en een terrorist geen moslim”.

Özcan Akyol: De groeiende weerzin tegen de fundamentalistische islam is begrijpelijk en natuurlijk moeten we extremisten buiten de deur houden, maar zolang een Nederlandse politicus van mij kan eisen dat ik als agnostische Nederlander afstand moeten nemen van een islamitische terreurbeweging in het Midden-Oosten, is het hele integratiedebat niets anders dan een karikatuur.

In de aanloop naar Prinsjesdag en tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen toverde Geert Wilders, ploegbaas van de nationale onderbuik, weer van alles uit zijn hoed om het volk angst in te boezemen. Er werd zelfs met onderzoekscijfers gegoocheld. Het politieke opportunisme druipt ervan af, want echt: Geert Wilders weet dat hij niet van mij kan verlangen dat ik afstand neem van barbaarse baardmannen in de woestijn die hun dogmatische interpretatie van de islam aan de buitenwereld willen opdringen. Ik heb niets met hen gemeen, hoogstens de kleur van mijn haar.

Nee, als we op die toer gaan, kan ik op mijn beurt aan de nationalisten van Pro Patria vragen of zij afstand nemen van gewelddadige Tutsi’s die andersdenkenden met botte bijlen vermoorden. Daarover gesproken: ik herinner me dat de PVV achter deze beweging en hun demonstratie in de Schilderswijk stond, de Mars voor de Vrijheid die zaterdag 20 september zou plaatsvinden. Wat is daarmee gebeurd? Zou het komen omdat de spotlights in de afgelopen dagen niet op de Schilderswijk maar op het Binnenhof waren gericht?

Natuurlijk, het is scherts en symboolpolitiek die eigenlijk geen aandacht verdient, maar als tweede generatie gastarbeiderskind voelde ik me in de week na Prinsjesdag – zoals wel vaker gebeurt – niet gezien in het integratiedebat.

Er wordt gemakshalve in de Tweede Kamer, op tv, in kranten en politieke discussieavonden over ‘één miljoen moslims’ in Nederland gesproken. Dit cijfer is gebaseerd op een verwachting die het CBS in 2006 uitsprak, op basis van POLS-enquêtes (Permanent Onderzoek LeefSituatie). Deze resultaten zijn discutabel, niet alleen wegens het beperkte aantal respondenten, maar vooral doordat een groot aantal allochtonen niet wordt bereikt, al is het maar door de taalproblemen van de eerste generatie gastarbeiders. Mijn ouders zijn er een voorbeeld van.

In werkelijkheid is er in Nederland een groeiende populatie migrantenkinderen, hoogopgeleid en niet-religieus, die in de vele integratiedebatten, al dan niet moedwillig, over het hoofd wordt gezien. Hun tragiek bestaat uit het volgende: ze zijn uit-geïntegreerd.

Het spookbeeld van rechtse populisten is niet alléén de boosaardige islam, maar misschien nog wel meer de allochtoon die slechts op een paar details verschilt van de doorsnee Nederlander… In mijn uiterlijk bijvoorbeeld. En er zullen altijd kleine dingen zijn die ik van mijn ouders heb geleerd en in mijn Nederlanderschap heb ingepast, maar dat maakt mij geen buitenlander, met de negatieve connotatie die in sommige kringen aan dat woord kleeft, maar een licht afwijkende versie van de gemiddelde burger.

Wie het in een hyperbool wil verpakken, kan zeggen dat het voor conservatieve partijen helemaal niet wenselijk is dat alle Marokkaanse en Turkse jongeren op ons – daarmee doel ik op Nederlanders – gaan lijken en zich min of meer hetzelfde gaan gedragen. Welke politieke strijd zou een reactionaire politicus dan nog op het gebied van integratie moeten voeren?

Tegelijkertijd barst dit land van de inspraakorganen, samenwerkingsverbanden en kennisinstituten met een religieus of cultureel profiel. Die clubs willen multiculturele vraagstukken oplossen en de positie van etnische minderheden verbeteren. Voor al deze gesubsidieerde organisaties ben ik niet interessant omdat ik tot een nieuwe generatie behoor die haar eigen boontjes dopt. Sterker nog, ze beschouwen me eerder als een luis in de pels.

Terwijl de apodictische oneliners en onrealistische wetsvoorstellen over het integratievraagstuk steeds frequenter het nieuws halen, moeten duizenden Marokkaanse en Turkse jongeren die na een lange aanloop eindelijk een positie in de Nederlandse maatschappij hebben verworven in de luwte horen wat er allemaal over hen wordt beweerd.

Dit is natuurlijk niet alleen de schuld van politieke cowboys die de populistische toon zetten, maar bovenal van mensen die zich in de parlementaire arena opwerpen als strijders voor de goede zaak, of tenminste zeggen dat ze een beter land willen.

Maar ons, de nieuwe generatie, treft ook blaam. Te lang stonden we aan de zijlijn en keken we schouderophalend toe hoe anderen over elkaar heen buitelden als het over die ‘één miljoen moslims’ ging. Ik hoor niet bij die groep. Ik ben geen patiëntje in onze samenleving. Ik ben een Nederlander. Het is tijd dat ik ook op die manier word benaderd.

Özcan Akyol is schrijver.