Dit is de zin van bureaucratie: sporen uitwissen

‘Noli me tangere’ staat er op de gevel van het huis van Jeroen Brouwers – raak me niet aan. Nou, vergeet het maar. Als het aan het hof van Antwerpen ligt, brommen de bulldozers over een jaar de zandweg aan de rand van Zutendaal op. Daar in het bos staat een ooit zonder vergunning gebouwd huis de natuur te bedreigen, dit in schrijnende tegenstelling tot de volslagen ongevaarlijke villa’s aan de overkant. Sire, er zijn geen Belgen – maar als je even niet oplet hameren ze je huis onder je kont vandaan .

Huis is een overstatement, Brouwers woont in een schrijvershol waar je alleen maar van kunt dromen: net niet vervallen, de wanden vol boeken, de tafels vol papier, de lucht verzadigd van de Caballero – en op de bovenverdieping een van de mooiste literaire archieven van het land: knipsels en brieven uit vijftig jaar literatuur – van W.F. Hermans tot Peter Buwalda. Tussen dat alles beweegt, puffend en piepend van de kortademigheid, een schrijver die zijn best doet om te verbergen dat hij eigenlijk heel erg aardige man is.

Je zou je aan het hek willen vastketenen, de weg barricaderen met het oeuvre van Brouwers of een struik Hasselbramen bij de ingang van het bos planten (dat is vast ook verboden). Aan het begin van de zandweg staat een kolossaal monument dat de gemeente Zutendaal zeven jaar geleden voor Brouwers heeft opgericht. Er kan straks de laatste steen van Brouwers’ huis bij worden gelegd. Op het monument staat een citaat van Brouwers: ‘Mogelijk is dàt de zin van het leven: sporen achterlaten’. Ongetwijfeld is dit de zin van de bureaucratie: sporen uitwissen.

Waarmee we bij het onderwerp van Brouwers’ binnenkort verschijnende nieuwe roman Het hout komen: seksueel misbruik in katholiek jongensinternaat. De roman had hij ook best Noli me tangere kunnen noemen. Het is opmerkelijk hoe de juridische strijd om Brouwers’ woning synchroon loopt met de verschijning van zijn boeken: drie jaar geleden kreeg de schrijver zijn afbraakaanzegging van de gewone rechter juist toen journalisten hem kwamen interviewen over Bittere bloemen.

Dat zijn de wetten van de literaire nieuwscycli, die maken dat je dezer dagen drie romans per week leest, tussendoor de Thatchermoordfantasie van Hilary Mantel meepakt (erg leuk, op de site van The Guardian), de shortlist van de AKO-prijs moet voorspellen (Te Gussinklo, Grunberg, Van Mersbergen, Lanoye, Polak, Vermeersch), waardoor je zelfs vergeet naar de Nacht van de Poëzie te gaan. Gelukkig was die aanleiding voor een mooi bloemlezinkje. Daarin staat een prachtgedicht van Leonard Nolens dat zo eindigt: ‘Als jij als eerste gaat, dan loop ik met je mee/ tot bij de blinde deur./ Je pakt de klink, je glimlach kijkt mij aan en zegt: / ik heb je nooit gevraagd/ om na mijn dood als eeuwig paar door het leven te gaan.’

Noli me tangere, maar dan anders.