Column

De verkeerde naam voor waar hij was geboren

De Mohammeds, Abduls en Samirs voelen zich niet meer thuis in Nederland. Zo worden ze naar Syrië gejaagd, schrijft Ilja Leonard Pfeijffer.

Zijn naam was Mohammed. Maar dat deed er niet toe. Hij had net zo goed Samir kunnen heten of Abdul. Hij had de verkeerde naam voor het land waarin hij was geboren.

De liefde voor zijn geboorteland was voor hem aanvankelijk een vanzelfsprekendheid geweest. Hij hield van voetbal. Hij was een fan van Oranje. Zijn lievelingsgerecht was een patatje kapsalon.

Maar die liefde was niet bepaald wederzijds. Iemand met een naam als de zijne kreeg geen baan. Op de televisie schreeuwden de politici van zijn vaderland dat hij een probleem was. Hij was gelovig, maar had er nooit zo veel aan gedaan. Toch moest hij zich steeds meer voor zijn geloof verdedigen.

Hij ging steeds meer om met andere jongens met een naam als de zijne. Die stelden tenminste geen vragen. Die begonnen tenminste niet gelijk te schelden als hij zijn naam zei. Verder hing hij een beetje rond. Er was niets te doen. Hij verveelde zich. Hij voelde zich uitgesloten, nutteloos en ongewild. Niets is erger voor een jongen van die leeftijd.

Hij geloofde helemaal niet in de heilige oorlog. Dat gezever over martelaarschap vond hij irritante flauwekul. En in al die filosofieën van de Islamitische Staat had hij zich niet verdiept. Daarom was hij niet naar Syrië gegaan. Dat had er allemaal niets mee te maken. De belangrijkste reden was dat hij eindelijk iets wilde doen. Hij wilde eindelijk iets betekenen. Hij wilde eindelijk iemand zijn.

Ze hadden hem een kalasjnikov gegeven en verder geen vragen gesteld. Ze vertelden hem wie de vijand was zonder uit te leggen waarom. Daarmee had hij voor het eerst in zijn leven een doel. Hij voelde zich geaccepteerd. Hij voelde dat hij ertoe deed. Hij beleefde avonturen. Hij leefde. Hij was nuttig. Voor het eerst was hij waarlijk gelukkig omdat hij voor het eerst in zijn leven werd bewonderd om de persoon die hij was.

In zijn geboorteland vonden ze hem een groter probleem dan ooit tevoren. Ze hadden zijn paspoort ongeldig verklaard. Maar dat deerde hem niet. Hij was toch niet van plan om ooit nog terug te gaan naar zijn vaderland dat hij had getracht lief te hebben maar dat hem had uitgekotst en behandeld als een tweederangs burger. Nederland hoefde zich geen zorgen te maken. Hij zou blijven. In Syrië was hij veel gelukkiger.

Maar zijn geboorteland was woedend. Zo makkelijk ging dat niet. Zo makkelijk kon het niet zijn om te ontsnappen aan de vernederingen die zijn deel waren. Zijn vaderland stuurde straaljagers. En op een dag werd hij gedood door zijn landgenoten die hem zijn leven lang hadden getreiterd en die hij daarom niet langer voor de voeten had willen lopen.