Column

De teloorgang van het ‘stupid-shit-argument’

Dit voorjaar vond aan boord van Air Force One een opmerkelijk incident plaats. President Obama was op reis door Azië, hij bezocht Japan, Maleisië, Zuid-Korea en de Filippijnen. Tijdens een van de vluchten sprak hij met meereizende journalisten over zijn buitenlandse politiek.

Het was duidelijk dat de president zich enorm had gestoord aan de veelgehoorde kritiek dat Amerika geen leidende rol meer speelt in de wereld. Zelf zou hij te aarzelend zijn, te defensief en (ook een heel erg verwijt) te voorzichtig. Zijn terughoudende beleid zou een machtsvacuüm laten vallen, waarvan ouderwetse machtspolitici als Poetin en Assad gretig profiteerden.

Allemaal onzin, aldus een geïrriteerde Obama. Hij voerde een weloverwogen buitenlandse politiek, in het belang van Amerika – de filosofie daarachter vatte hij samen in vier woorden: Don’t do stupid shit. En daarop beende hij bozig terug naar zijn eigen cabine – maar hij draaide zich nog één keer om en vroeg aan de journalisten: dus wat is mijn buitenlandse politiek? Waarop de pers, waarschijnlijk enigszins in schoolreisjesstemming, in koor antwoordde: Don’t do stupid shit! Hoeveel ellende daar van kan komen, was de onuitgesproken subtekst, dat heeft de vorige president wel afdoende bewezen. Trefwoord: Irak.

Het was voor een presidentiële visie misschien wat grof geformuleerd, maar vermoedelijk drukte Obama met die vier woorden wel degelijk een diep gevoelde overtuiging uit. Vanaf het begin van zijn presidentschap heeft hij uitgedragen dat de macht van Amerika in de wereld beperkt is, hoe sterk het leger ook mag zijn. En dat militaire interventies onvoorziene gevolgen kunnen hebben en problemen soms alleen maar groter maken.

Die overtuiging maakte van Obama nog geen pacifist, zoals hij duidelijk uitlegde toen hij de Nobelprijs voor de Vrede kreeg. De liquidaties van vermeende terroristen in Pakistan en Jemen, met behulp van drones, tonen dat het met die terughoudendheid van Obama soms wel meevalt. Hij liet zich in 2011 overtuigen om Libië aan te vallen – op humanitaire gronden en met een grote rol voor bondgenoten.

Dat iemand in het Witte Huis toen de term ‘leiden vanuit de achterhoede’ gebruikte, is Obama op veel hoon komen te staan. Een echte leider loopt toch voorop? Maar om Fransen en Britten in Libië een belangrijke rol te geven, in een conflict in hun eigen regio, was helemaal geen gek idee. Het echte probleem, zo zou al snel blijken, was toch weer de interventie zélf en alles wat erdoor overhoop werd gehaald.

En nu voert Amerika opnieuw een oorlog in Irak, en zelfs in Syrië. Drie jaar lang heeft Obama weerstand geboden aan de roep om ‘iets te doen’ tegen het bloedvergieten in de Syrische burgeroorlog. Zelfs toen er chemische wapens gebruikt waren, deinsde hij ervoor terug. Want kunnen de VS de problemen daar écht oplossen? Met alleen luchtaanvallen? En met hulp van onduidelijke, onbetrouwbare danwel zwakke bondgenoten op de grond?

Het is moeilijk voorstelbaar dat Obama de Don’t do stupid shit-doctrine nu definitief bij het oud vuil heeft gezet. Maar in de strijd tegen Islamitische Staat loopt hij wel voorop – met een doel dat onrealistisch is (vernietiging van IS), een strategie die onduidelijk is, en een coalitie die vanwege de schier onmogelijke combinaties van belangen al de Rubik’s Cube Coalition is genoemd.

Maar de angst voor terrorisme, voor een herhaling van iets als 9/11, zit bij de Amerikanen diep. Een nieuwe grote aanslag op Amerikaanse belangen, laat staan op Amerikaans grondgebied, zal Obama koste wat kost willen voorkomen. Desnoods met een militaire operatie die heel wat kenmerken heeft van stupid shit.