De duivel speelt met een jojo van Coca-Cola

Een donkere weg die voor de bestuurder lijkt open te liggen, een auto die tamelijk hard rijdt omdat het toch laat en rustig is. En dan een klap: de auto heeft iets geraakt. Er ligt een kind voor de auto en het ziet er niet goed uit, maar het is er een van een bevolkingsgroep die niet echt meetelt, dus je legt het in de struiken en vervolgt je reis. De literatuurliefhebber weet: dit is Herinneringen van een engelbewaarder, een van W.F. Hermans’ mooiste romans. Maar dit is ook het begin van Klimtol van de Zuid-Afrikaanse schrijver Etienne van Heerden.

De hoofdpersoon, Ludo Loeloeraai, is jojoër van beroep en reist het platteland af in een rood jasje met een Coca-Cola jojo, oftewel een ‘klimtol’ zoals de vertalers het speeltuig graag noemen. Het zijn de hoogtijdagen van de apartheid en in de dorpjes in het droogste deel van Zuid-Afrika is niet veel te doen, een jojo-optreden in een hotel is al heel wat, en Coca-Cola dat reclame komt maken in kleine dorpen met een jojo is hip. Ludo is de kampioen jojoën en terwijl hij zijn kunsten doet, kijken kleurlingkinderen stiekem mee. Deze Ludo, die het midden houdt tussen een artiest en handelsman, rijdt op een avond bij het plaatsje Tweefontein een kind aan. ‘Aan de rechterhand van de jongen zat een jojo, waarmee hij onhandig probeerde te spelen terwijl hij fietste met zijn linkerhand aan het stuur.’ Hij verzint een verhaal over een aangereden koedoe, een uit de kluiten gewassen antilope, en rijdt door naar een garage even verderop. Alsof het een pact met de duivel is, jojoot Ludo beter dan ooit.

Wat volgt is een verhaal over schuldgevoel, over een man die ouder wordt en zich terugtrekt in het plaatsje met de symbolische naam Paternoster, met de jojo aan zijn vinger slaapt en steeds fanatieker gaat jojoën om los te komen van het verleden. ‘Spelen was voor hem iets anders geworden, niet iets om luchthartig mee om te gaan, spelen was dodelijke ernst geworden, spelen was de enige manier om vorm en orde te geven aan de bloedvlek op de asfaltweg bij Tweefontein’. Ludo is de homo ludens in een samenleving waar het vooral om overleven gaat. Het offer dat hij brengt voor zijn spel en het fatale ongeluk is ondermeer een afgebroken liefdesrelatie.

Een oude liefde, een kleindochter die ook jojokampioen blijkt te zijn en een knik in haar vinger, dood aangespoelde mannen op het strand, smeergeld om een moord te verdoezelen, het nieuwe Zuid-Afrika waar blijkt dat ‘veel stemmen binnen het ANC anti-Julius Malema zijn’: het zijn allemaal ingrediënten die Van Heerden gebruikt om een verhaal te vertellen over iemand die zowel de wetten van de zwaartekracht als van de samenleving probeert te tarten. Het idee is goed, de uitwerking wat langdradig en in de vertaling schijnt te nadrukkelijk het Afrikaans door: niet alleen in de keuze voor ‘klimtol’ maar ook bijvoorbeeld ‘boevenbakkie’, ‘haastig eet ze af’.

Tegelijkertijd verlang je naar een vertaling van een roman uit Zuid-Afrika die zich een keer niet op het platteland afspeelt. De keuzes voor setting en vertaling vergroten de afstand, zodat ook de dilemma’s van Ludo op afstand blijven. Daar staat tegenover dat het personage Snaartjie Windvogel – die ook al in een van Van Heerdens beste boeken In de plaats van liefde voorkwam – een van de mooiere, tragische figuren in het oeuvre van de auteur is.