Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.

De blote navel blijft hem fascineren

De nieuwe roman Milan Kundera is een ode aan de ironie. In een briljant spel met nut en nutteloosheid zet hij de mens neer als een marionet, een kakelende ledenpop, om wie je maar beter kunt lachen.

Milan Kundera in Café de Flore te Parijs op 30 november 2010
Milan Kundera in Café de Flore te Parijs op 30 november 2010 Foto Getty iMAGES

Halverwege Het feest der onbeduidendheid, Milan Kundera’s nieuwe roman, lees je ineens een alinea die je al eerder hebt gelezen: een paar zinnen over Alain die gefascineerd is door de ontblote navel van jonge meisjes, precies zichtbaar tussen hun lage broek en hun korte T-shirt. ‘Herhaal ik mezelf?’ schrijft de verteller. ‘Ik weet het. Maar Alains passie voor het raadsel van de navel mag dan al eerder ter sprake zijn gekomen, ik wil niet verhullen dat dat raadsel hem voortdurend bezig houdt, zoals uzelf ook maanden, zo niet jaren door dezelfde problemen wordt beziggehouden (ongetwijfeld veel nietiger dan dat van Alain).’

De fascinatie voor de navel is maar een van de nietige problemen waar de vier hoofdpersonen van Kundera (1929) in dit boek mee worstelen. De een kan er niet tegen in de rij te staan voor een tentoonstelling van Chagall, in de Jardin du Luxembourg in Parijs, de volgende heeft voortdurend beelden van een engel op zijn netvlies, de laatste wil graag een stuk schrijven voor een marionettentheater. Het is onbeduidendheid alom, navelstaarderij in zijn lichtste vorm. Zijn eerste hoofdstukje geeft Kundera de titel mee ‘De helden stellen zich voor’. Helden? Aan zijn vier personages geeft Kundera zo weinig gewicht dat je ze als lezer nauwelijks uit elkaar kunt houden.

In de Jardin du Luxembourg, waar Kundera’s hoofdpersonen graag wandelen, schenkt niemand enige aandacht aan de standbeelden van koninginnen van Frankrijk, dichters, schilders. Passanten lopen langs zonder de bijschriften over hun leven te lezen. De onverschilligheid brengt ‘troostende rust’ en ‘een blije glimlach’. Niemand die zich opwindt, écht opwindt, in dit nieuwe boek van Kundera. Het is, zoals vaker in zijn oeuvre, een ode aan de ironie in zijn zuiverste vorm. ‘De doden worden oude doden, ze worden door niemand meer herinnerd en verdwijnen in het niets. Het gebeurt maar heel, heel af en toe dat iemand zijn naam in het collectieve geheugen achterlaat’. En dat dat niet gebeurt, suggereert de auteur, moeten we zeker niet zwaar opnemen. Such is life.

Schijn bedriegt

Het feest der onbeduidendheid is in helder en eenvoudig taalgebruik geschreven (en vertaald), net als Kundera’s eerdere werk. Maar schijn bedriegt, niets is ondubbelzinnig: de Tsjechisch-Franse auteur wisselt van register, switcht van droom naar werkelijkheid, verandert van het perspectief van verteller naar hoofdpersoon en springt van de ene tijd naar de andere. De ogenschijnlijk associatieve verhaallijn is niet écht losjes en de manier waarop Kundera zijn thema’s terug laat komen is ijzersterk en doordacht.

Een rode draad in het boek is bijvoorbeeld een anekdote over Stalin, die op een dag besluit te gaan jagen. Hij trekt ‘een oude parka’ aan, ‘gespt zijn ski’s onder’ en neemt een lang geweer. In een boom ziet hij patrijzen zitten, vierentwintig stuks. Hij heeft maar twaalf patronen bij zich. Hij doodt er twaalf, gaat naar huis om twaalf nieuwe patronen te halen, komt terug bij de boom en doodt ze tenslotte allemaal.

Het is maar één van de absurde anekdotes en fantasieën die je in dit boek leest. Maar Kundera verlengt ze telkens, steeds duikt Stalin weer ergens anders op. Nu eens laat hij hem ‘een vergeten gevoel’ ervaren, ‘liefde voor iemand die lijdt’ en bombardeert hij juist dat moment op ironische wijze tot ‘het korte moment waarop hij in de geschiedenis de machtigste staatsman van de wereld is’. Dan weer duikt de dictator in parka en met jachtgeweer op in de hedendaagse Jardin du Luxembourg, waar hij het standbeeld van Maria de’ Medici de neus afschiet.

Zo goochelt Kundera in dit boek met krankzinnige verhalen en schiet hij van hilarisch absurdisme naar Hegel, Schopenhauer en Kant. Maar onderhands vertelt hij zijn lezers hoe je het beste in het leven kunt staan. ‘We hebben lang geleden begrepen dat de wereld niet meer omver kon worden geworpen of omgevormd. Er was maar één vorm van verzet mogelijk: de wereld niet serieus nemen.’ En dat is precies wat zijn personages doen. Een fictieve taal verzinnen, zodat iedere vorm van communicatie uitloopt op een hilarisch fiasco. Sorry zeggen omdat daar geen enkele reden voor is. Aan iemand vertellen dat je kanker hebt, terwijl je net van je arts hebt gehoord dat dat juist niet het geval is. Roerloos omhoog staren naar ‘een minuscuul wit veertje dat langzaam rondzweefde, daalde, steeg’ en bedenken dat een engel het ‘uit zijn vleugel’ heeft laten schieten, als een visitekaartje dat het naderende einde komt aankondigen. ‘De engel, dat is een teken! Ja, waarvan? Van een utopie die is vermoord? Van een tijdperk waarvan geen spoor zal overblijven? Van boeken en schilderijen, teruggeworpen in de leegte? Van Europa dat geen Europa meer zal zijn? Van grappen waar niemand meer om zal lachen?’

Totalitarisme

Zo speelt Kundera ook in deze roman met zijn oude thema’s van geheugen en herinnering, totalitarisme, grap en lichtheid. ‘Onnut en ijdel is neuswijze kakeling’, staat er geschreven op een van de oude muren van de onderdoorgang van het Rijksmuseum.

Het is precies die sfeer die je in deze roman terugvindt: een spel met nut en nutteloosheid, waarbij de mens een marionet is, een ledenpop, een neuswijze kakeling om wie je beter maar kan lachen. Het wezenlijke wordt, zoals in alle grote literatuur, in deze roman tussen de regels door geformuleerd. ‘Alain had altijd het vage idee dat hij kunstenaar zou zijn geworden als hij zestig jaar eerder was geboren. Een echt vaag idee, want hij wist niet wat het woord kunstenaar tegenwoordig betekende. Een schilder die was omgedoopt tot etalage-inrichter? Een dichter? Bestaan die nog, dichters?’

Alleen een goed humeur kan redding brengen, schrijft Kundera, want ‘alleen vanaf de toppen van het eindeloos goede humeur kun je beneden in de diepte de eeuwige domheid van de mensen observeren en erom lachen.’ De literatuur stelt altijd en eeuwig de vraag naar hoe te leven. Op weergaloze wijze roept Kundera ons in dit boek op ‘het feest der onbeduidendheid’ te vieren. ‘We moeten de onbeduidendheid niet alleen herkennen, we moeten van haar houden, van haar leren houden [...] de kinderen die lachen… zonder te weten waarom, is dat niet mooi?’