Darren, klooien, lummelen, mijmeren en weer doorgaan

Het nieuwe album van Herman van Veen klinkt knisperfris. Hij werkte samen met de jonge producer Marnix Dorrestein (23). ’Als we muziek maken is er geen leeftijdsverschil.'

Herman van Veen. Foto Robin Utrecht

Een van de meest relevante popalbums van het jaar komt uit onverwachte hoek. Herman van Veen (69) vindt zichzelf opnieuw uit op Kersvers, een plaat die knispert van minimale elektronica, dartelt van springende gitaarnoten en zoemt van de altijd wat plechtstatige stem van de zanger met zijn bijna vijftigjarige staat van dienst. De bluesy gitaargroove van ‘Hier Is Het Geweest’ en de beheerst stuiterende elektrobeat van ‘Slaap Niet’ vertegenwoordigen twee kanten van een hedendaags muzikaal spectrum, met tijdloze teksten over klein geluk en groot verdriet. Er zijn zelfs raakvlakken met dubstep, al geeft Van Veen ruiterlijk toe nog nooit van die term gehoord te hebben.

Het geheim van deze opmerkelijke muzikale wedergeboorte schuilt voor een belangrijk deel in de samenwerking met gitarist en co-producer Marnix Dorrestein, een 23-jarige muzikant die zelf sinds een jaar aan de weg timmert met zijn elektropopproject IX. Dorrestein is de zoon van gitariste Edith Leerkes, sinds 1993 een vaste waarde in de band van Herman van Veen.

De school van Jett Rebel

„Ik ken Marnix sinds hij twee was”, zegt Van Veen over zijn jonge protegé. „Heb nog langs het veld gestaan bij zijn eerste potje voetbal. Dat muzikale zat er altijd al in. Ik was erbij toen hij in januari 2005 voor het eerst in het Concertgebouw optrad, toen hij een wedstrijd voor jonge componisten had gewonnen.”

Er verschijnt een meewarige glimlach rond de lippen van Marnix Dorrestein als hij „een muzikant uit de school van Jett Rebel” wordt genoemd. Inderdaad zat hij in Baarn op de middelbare school met Jelte Tuinstra, die deze zomer als Jett Rebel furore maakte op bijna alle grote festivals. Ze speelden samen in bandjes en deelden een liefde voor funk, The Beatles en veel spelen, „omdat je van optreden pas echt goed wordt”. Ze studeerden twee jaar samen op de popafdeling van het Conservatorium van Amsterdam. Daarna scheidden hun wegen. Jelte gooide alles op zijn popcarrière; Marnix ontdekte dat hij zich als songschrijver en producer achter de schermen ook prima op zijn plek voelt. Hij speelt bij Kris Berry & Perquisite en componeerde muziek bij de theatervoorstelling Vader rond Herman van Veens creatie Alfred Jodocus Kwak.

Stoelschuiven

„Als we muziek maken is er geen leeftijdsverschil”, zegt Herman van Veen over het wordingsproces van de liedjes. „Stoelschuiven”, noemt hij het. „Marnix speelt een reeks akkoorden en ik reageer daarop. Je loopt een beetje te darren, te klooien, totdat je weet dat het er bijna is. Lummelen en mijmeren is een belangrijk onderdeel van het creatieve proces. En dan ineens begint het lied zich te vormen.”

„IJsberen in de studio is de beste manier om je op de muziek te concentreren”, vult Dorrestein hem aan. „In het begin was er nog een soort hiërarchische verhouding. Herman kwam met een tekst en daar moest dan precies de muziek bij die hij voorspeelde op piano of viool. Tegenwoordig kan ik hem steeds openhartiger zeggen dat een bepaald idee niet goed is en dat het anders moet. Het is zelfs al een keer voorgekomen dat hij me achteraf gelijk heeft gegeven.”

Dorrestein luistert geamuseerd als „de baas” vertelt over de verschillen in opnametechniek die hij in vijftig jaar van nabij heeft mogen meemaken. „In de begintijd kwam er zo veel ruis op de band dat je in stille passages de Noordzee kon horen. Iedereen moest gelijk spelen, want er waren maar twee sporen. Als het misging met de opname werd het stuk twee keer gespeeld en maakte de technicus twee heel lange schuine knippen in de band. Het was een leuke tijd, maar het is wel een stuk makkelijker geworden.”

Drumcomputers en synthesizers

Het schrijven van popliedjes was geen métier dat hem van nature kwam aanwaaien, zegt Van Veen. „In het begin zong ik vooral veel covers, zoals ‘Suzanne’ van Leonard Cohen dat ik kende van The Sandpipers. Op het conservatorium had ik besloten dat ik geen klassiek muzikant wilde worden, maar dat ik mijn eigen ding zou gaan doen. Pas met ‘Rozegeur’ (1970) kwamen tekstschrijver Rob Chrispeijn en ik erachter dat je met zelfgeschreven liedjes succes kon hebben.”

Dorrestein werkt met synthesizers, drumcomputers en buitenissige gitaareffecten. Toch vindt Van Veen niet dat muziek maken wezenlijk anders is geworden dan in de tijd van de eenzame folkgitaar of het strak gearrangeerde orkest.

„We spreken misschien een andere taal, maar we musiceren vanuit dezelfde drive, dezelfde verwondering. De avontuurlijke klanken waar Marnix mee komt, zou ik zelf niet gevonden hebben, omdat ze niet tot mijn gereedschap behoren. Hij kan op een filmische manier werken met geluid. Dan lijkt het opeens alsof je op de set van een film van Fellini staat, of in een smerige Zuid-Amerikaanse kroeg. Muziek heeft altijd een contrapunt nodig: wat ik zing, moet door de muzikale context bevestigd of ontkend worden. Marnix heeft dat dramaturgische vermogen, ook omdat hij een geletterd baasje is dat al veel gezien heeft in zijn leven.”

In dienst van het verhaal

Op Kersvers behandelt Van Veen onderwerpen die hem na aan het hart liggen, zoals de onmogelijkheid om in het computertijdperk je privégegevens geheim te houden (‘Uitgerekend’) of de terreur van mensen die hun moraal aan anderen willen opleggen (‘Meneer’). De muziek moet altijd in dienst staan van het verhaal, vindt Dorrestein.

„De stem en de vertelling blijven hoe dan ook het belangrijkst als je een plaat maakt met Herman van Veen. Bij de muzikale invulling heb ik vooral veel weggelaten. Als je kiest voor een extreem elektronische klank, dan is er nog maar weinig wat daarbij past. We hebben er niet bewust naar gestreefd een moderne of een minimalistische plaat te maken. Dat is vanzelf zo gegaan.”