Boos de wereld heel maken met schoonheid

Annie Cohen-Solal schreef een biografie van de schilder Rothko, waarin ze zich vooral afvraagt of zijn Joodse achtergrond met zijn weg naar de abstracte kunst heeft te maken.

Mark Rothko: Zelfportret (1936) – uit de biografie komt een man naar voren die zich telkens afgewezen voelt Collectie Christopher Rothko

Zijn ouders heten eerst Rotkovics en toen Rothkowitz. Zijn broers werden Roth. Hij werd bekend als Mark Rothko, de schilder die veel mensen de meest spirituele ervaring bood die abstracte kunst te bieden heeft. Mensen huilen voor mijn schilderijen, zei Rothko, en hij huilde soms wanneer hij ze maakte. Van Rothko’s onmogelijk mooie schilderijen is net een groot overzicht geopend in het Haags Gemeentemuseum, en daarom is de biografie die Annie Cohen-Solal van hem schreef nu vertaald.

Het is voor Cohen-Solal, die beroemd werd met een biografie van Sartre (en in Nederland door de flirt met Adriaan van Dis in diens tv-programma) het derde boek over Amerikaanse schilderkunst, na een studie van de opkomst van Amerikaanse schilders in de negentiende eeuw, Naar levend model, en een biografie van galeriehouder Leo Castelli. Een klassieke biografie is dit boek over Rothko niet geworden. Sieradenontwerpster Edith Sachar, met wie Rothko toch vijf jaar getrouwd was, wordt bijvoorbeeld maar één keer genoemd. Ook de zelfmoord van Rothko blijft onbeschreven. Over zijn leven kom je meer te weten uit de catalogus die bij de tentoonstelling in Den Haag verschijnt dan uit deze toch lijvige biografie.

Intellectuele bezigheid

Waar gaat die dan wel over? De belangrijkste vraag die Cohen-Solal stelt is of er een verband is tussen Rothko’s Joodse achtergrond en zijn weg naar abstracte kunst. Die achtergrond deelt hij met nog een aantal andere abstract-expressionisten.

Ze ging terug naar de stad Dvinsk, nu Daugavpils in Letland, waar Rothko in 1903 werd geboren. Zijn vader was een progressieve apotheker, die zijn jongste zoon naar een traditionele Talmoedschool stuurde. Het is deze scholing met zijn nadruk op de interpretatie van teksten die de schrijfster vooral in verband brengt met Rothko’s latere abstracte werk. Vreemd genoeg verwijst ze daarbij nauwelijks naar het tweede gebod, dat in het christendom meestal niet is nagevolgd maar in het Joodse en islamitische geloof wel: Rothko moet in zijn jeugd vaak gelezen en gehoord hebben dat figuratie verboden was.

Andere noties uit het Joodse geloof gebruikt Cohen-Solal liever om zijn werk te duiden. Rothko zou met zijn schilderijen uit zijn geweest op ‘tikkun olam’, het herstellen of heel maken van de wereld door goede daden of, in het geval van Rothko, door schoonheid. En de oecumenische kapel in Houston die hij aan het eind van zijn leven vulde met schilderijen, zijn meesterwerk, noemt ze niet in de tekst maar wel in de titel van haar laatste hoofdstuk een zoenoffer.

Cohen-Solal maakt aannemelijk dat schilderen voor Rothko vooral een intellectuele bezigheid was. Hij was geen kind dat al talentvol tekende en zich daarom tot schilder bekwaamde, hij werd schilder om, zoals hij het zelf omschreef, met beeldende middelen te filosoferen. Kunstenaar zijn, was bovendien een vrij beroep waarin hij van Jodenhaat minder last hoefde te hebben. Rothko emigreerde in 1913 met zijn familie naar Amerika, verdreven door het antisemitische klimaat in Rusland, waar zijn geboortestad toen toe behoorde. Hij ging naar de middelbare school in Portland en kreeg daarna een beurs voor Yale. Maar ook in dit WASP-bolwerk stuitte hij op antisemitisme. Hij hield het er twee jaar vol. Pas daarna, toen hij al in de twintig was, koos hij voor de schilderkunst als carrière.

Het duurde tot eind jaren veertig voor Rothko, inmiddels bijna vijftig, zijn ‘signature style’ vond, met de rechthoekige, uit verschillende doorschijnende lagen verf opgebouwde kleurvlakken, die, zeker als je ze voor het eerst ziet, de indruk geven dat dat kan, het heel maken van de wereld. Troost. Bach.

Cohen-Solal schrijft vooral over de manier waarop Rothko zijn positie binnen de kunstwereld bevocht. Het is deze invalshoek die ervoor zorgt dat Rothko uit de biografie vooral als een verongelijkt man naar voren komt, die zich voortdurend gepasseerd of afgewezen voelt, zelfs als hij een gevierd schilder is geworden. Toen zijn galeriehouder Sidney Janis in 1962 jongere kunstenaars als Roy Liechtenstein en Andy Warhol begon te brengen, stapten Rothko en zijn kompanen meteen op omdat ze niet met deze ‘nieuwlichters’ geassocieerd wilden worden.

Restaurant

Cohen-Solal schrijft uitgebreid over Rothko’s gevecht met de Seagram Murals. Rothko had in 1958 de opdracht aangenomen om schilderijen te maken voor een chic restaurant in een nieuwe wolkenkrabber in New York. Maar Rothko schonk de schilderijen die hij ervoor had gemaakt uiteindelijk aan de Tate Gallery in Londen. „Ik hoop iets te schilderen dat de eetlust zal bederven van elke klootzak die ooit in die zaal komt eten”, zei Rothko toen hij met de murals worstelde. Misschien gaf hij de opdracht terug omdat juist dat onmogelijk was. Gekleurde doeken, hoe intens ook, zouden de bezoekers misschien slechts onverschillig laten. Geen afkeer maar onbenul. Kijk eens op YouTube naar filmpjes waarin een beroemd muzikant in de metro of op straat gaat zitten spelen en de meeste mensen er straal aan voorbij lopen, ook al is dit het mooiste dat ze ooit hebben gehoord. De schilderijen van Rothko zijn te duur om een vergelijkbaar experiment mee uit te voeren. Ze hangen veilig in musea en in een kapel. Huilen op afspraak.