André

Op de een of andere manier heb ik altijd haast als ik op de Albert Cuyp ben en moet ik in moordend tempo obscure ingrediënten zoeken bij De Peperbol, lekkere smeersels inslaan bij die ene Griek of struin ik half hysterisch alle kraampjes af om neongele beenwarmers voor een of ander themafeest te scoren. Ik slaag altijd.

Vandaag jog ik eroverheen op weg naar Tjin’s, de toko in de Eerste van der Helststraat. Het lijkt iets drukker dan normaal op een doordeweekse dag. In de verte hoor ik ineens een groepje mensen vol verve ‘Bloed, zweet en tranen’ zingen. Hazes, altijd gezellig. De visboer fluit mee.

Als ik doorloop zie ik bij het Hazesbeeld cameramensen, wat fotografen, een Hazes-wannabe en een groepje opvallend vrolijke mensen. Het nummer is inmiddels afgelopen. De mensen drinken een biertje, ze proosten „op Dré” en ze knuffelen elkaar. Stevig. Ik vang flarden op als „waar was jij toen je het hoorde”, „hij leeft nog steeds voort” (nog eens proost) en „alweer tien jaar geleden”.

Exact dit soort teksten hoor ik de laatste tijd toevallig ook in mijn nabije omgeving, maar dan gaat het over heel iemand anders. Nu ben ik pardoes op een Hazes-herdenking terechtgekomen. En nu ik er toch ben, herdenk ik hem dan ook maar even, ook al ken ik zijn oeuvre niet heel goed (behalve het nummer De hoogste tijd, omdat dat nu eenmaal vaak gedraaid wordt als de lichten aan gaan en de tap dicht). Ik moet meteen denken aan mijn oma, een keurige, vrij bekakte dame uit Oud-Zuid die enkele jaren na de dood van mijn opa opeens een oude foto van haar en André Hazes pontificaal in de slaapkamer neerzette. Ik herinner me hoe mijn vader er met zijn broer en zus grappen over maakte. Over Hazes’ zweetdruppels en oma’s malle beige regenhoedje. De foto was een volslagen stijlbreuk in die kamer die verder vol stond met glazen ballerina’s, zilveren dierenbeeldjes en ingelijste foto’s van opa, de kinderen, kleinkinderen en niet te vergeten: alle honden en poezen die ze ooit bezeten had. „Ik kwam André toevallig tegen”, zei ze toen ik vroeg waar en waarom deze foto gemaakt was, „in een platenzaak. Hij was vreselijk aardig. Ik heb de foto jarenlang moeten verstoppen voor opa.” Zo zei ze het letterlijk. En natuurlijk fascineerden deze mededelingen me enorm. Dat en passante ‘André’, het beeld van mijn oma in een platenzaak (en hoezo was daar ook nog eens een fotograaf?).

Zo eeuwig zonde dat ik toen niet verder heb doorgevraagd. Op mijn vijftiende overleed ze. Ik had vooral meer willen weten over dat ‘moeten verstoppen’. Wat had opa anders in godsnaam gedaan? Voor het gemak ben ik er de rest van mijn leven maar vanuit gegaan dat mijn grootmoeder en ‘André’ dus een kortstondige affaire hadden en dat bijvoorbeeld Een beetje verliefd op haar sloeg. Een theorette waar werkelijk niemand van de familie aan wilde, maar ik vond dat het mijn familiegeschiedenis elan gaf.

Het is de hoogste tijd. Ik ren snel verder de markt over.