Strafhof begint onderzoek naar misdaden CAR

Het Internationaal Strafhof in Den Haag begint een officieel onderzoek naar misdaden in de Centraal Afrikaanse Republiek (CAR). Het land wordt sinds 2012 geteisterd door sektarisch geweld tussen moslim en christenen.

Bij het geweld tussen stijders van de islamitische alliantie Séléka en leden van de christelijke anti-Balaka militie kwamen ten minste 5.000 mensen om het leven. Volgens de aanklager van het Strafhof, de Afrikaan Fatou Bensouda, hebben beide partijen zich schuldig gemaakt aan moord, roof en verkrachting. „De lijst van wreedheden is eindeloos”, aldus Bensouda.

Het geweld begon in 2012 toen islamitische rebellen – een mix van moslims uit het noordoosten van het land, huurlingen uit de islamitische buurlanden Tsjaad en Soedan en criminele bendes – oprukten naar de hoofdstad Bangui. In 2013 grepen ze de macht, maar ze slaagden er niet in orde de scheppen.

De rebellen moesten de macht uiteindelijk weer opgeven en er volgden wraakacties van zogeheten Anti-Balaka milities, christenen die in de hoofdstad Bangui en elders op jacht gingen naar strijders van Séléka en moslims in het algemeen. Alleen al in Bangui vielen zeker duizend doden. Naar schatting gingen zo’n 930.000 burgers in heel het land op de vlucht voor het geweld. Een half miljoen mensen ontvluchtte Bangui.

Het Strafhof begon in februari van dit jaar een vooronderzoek naar de gewelddadigheden. In mei kreeg dat onderzoek de steun van de regering van de CAR. Uit het onderzoek is volgens Bensouda gebleken dat er voldoende aanwijzingen zijn dat beide partijen zich schuldig hebben gemaakt aan „misdaden tegen de menselijkheid, waaronder moord, verkrachting, verdrijving van bevolkingsgroepen, vervolging, plundering, het aanvallen van humanitaire missies en het gebruik van kinderen onder de vijftien jaar in gevechten”.

Human Rights Watch is blij met de aankondiging van het hof. „Een onafhankelijk onderzoek naar degenen die verantwoordelijk zijn voor de ergste misdaden door alle partijen is cruciaal om recht te doen aan de slachtoffers en een duidelijk signaal te geven aan de daders dat ze ter verantwoording worden geroepen”, aldus de mensenrechtenorganisatie.