Schooljongetje

De telefoonoproep had ik gemist. Dat komt voor. Het tekstberichtje zag ik een paar uur later, het ging om een verzoek. Of ik zin en tijd had in het L1 TV-programma Avondgasten de medaille van Tom Dumoulin te bespreken. Zin had ik wel om die medaille te bespreken, heel veel zelfs, maar het ontbrak me aan tijd. Dit liet ik de afzender ook weten.

Het curieuze aan de korte elektronische conversatie was dat de medaille nog door Tom Dumoulin gewonnen moest worden. Het berichtje kwam op binnen dinsdagavond terwijl Tom pas op woensdagmiddag om 15.32 uur precies aan zijn 47 kilometer en 100 meter tijdrijden om de wereldtitel zou beginnen. Zowel het Limburgse televisiestation als ikzelf leefden bij de zekerheid dat er minimaal een bronzen medaille klaar lag. Tom moest trappen, wij waren er al uit.

Tom had het natuurlijk over zichzelf afgeroepen. In legio tijdritten was het drieëntwintigjarige snotneusje als tweede geëindigd achter de Duitse Panzerwagen Tony Martin. Dan vraag je er ook om.

En het werd brons.

Titelverdediger Tony kende een dipje, en moest het goud laten aan Sir Bradley Wiggins die afgaande op de tattoos op arm en borst de wielersport binnenkort vaarwel zal zeggen, maar Limburgse Tom op het derde treetje is binnen een paar jaar de norm. Hij zal niet geschrokken zijn van de twee giganten naast zich. Als een kleuring uit een haardos zullen Wiggins en Martin uit zijn leven groeien.

Tom Dumoulin komt uit een nest waar wielrennen geen vanzelfsprekendheid is. Sterker nog, in de academische omgeving waarin hij opgroeide werd zijn keuze voor de topsport met verwondering en zelfs argwaan bekeken. Wielrennen, dat is iets voor wanhopigen. Iets voor Armstrong cum suis. Toen hij zijn universitaire studie inruilde voor een baantje op een smal zadel zullen zijn ouders het zorgelijke hoofd hebben geschud. Op verjaardagspartijtjes hebben ze zich ongetwijfeld uitgeput in verzachtende termen tegenover andere weldenkenden.

In interviews met Tom Dumoulin vind ik elke keer zijn nest terug. Hij relativeert dat het een aard heeft. Wielrennen is heus niet het belangrijkste in zijn leven. Aandacht is fijn, maar het is niet de smeerolie van zijn bestaan. Wielrennen is religie noch pseudo-religie. Het is zelfs geen vak. Het is wat het is. Een spel wellicht? Niets?

Hij was er per ongeluk achter gekomen dat hij hard kon fietsen. Kon hij het helpen dat er een tijdrijder in hem verborgen zat? Ik houd van renners die zichzelf zo relativeren dat er alleen een schooljongetje overblijft, maar die in de korte tijdspanne tussen start en finish de schaamte voorbij fietsen.

O ranke Tom Dumoulin. Zelfs het gedrocht van een tijdritfiets met zijn absurde invalidenbeugeltjes weet hij met natuurlijke souplesse een vleug van schoonheid mee te geven.