Schelden op Drenthe döt niet zeer

Interview Daniël Lohues

‘Hier kom ik weg’ heet zijn tentoonstelling in het

Drents Museum in Assen. Duizenden jaren beschaving uit Erica en omstreken. Samensteller Daniël Lohues: „Ik moet de streekgeschiedenis doorvertellen.”

Het land art-project Broken Circle/Spiral Hill (1971) van Robert Smithson bij Emmen.Linksboven: trechterbekers uit Erica, 3400-2850 v. Chr.Rechtsboven:Turfschuit, Vincent van Gogh, 1883

Drenthe is duf en deugt niet. Een land, beweerde televisiehistoricus Maarten van Rossem, waar „kromgebogen boeren met puistige gezichten iets vaags doen”. Hier wonen primitieve mensen, zei schrijfster Yvonne Kroonenberg na een bezoek aan de Action in Assen, „met van die klassiek Drentse koppen die niet eens een gewone zin kunnen uitspreken”. En schrijver Peter Middendorp weet het zeker: „Drenthe is het enige stukje aarde waar nooit om is gevochten.”

Vooroordelen over Drenthe bestaan er genoeg. „Niet mooi”, vindt Daniël Lohues, de Drentstalige singer-songwriter. „Het is bull crap, prietpraat van een hautain kringetje.” Hoezo geen beschaving in de provincie? Neem Erica in Zuidoost-Drenthe, daar woont Lohues. In zijn achtertuin ligt de geschiedenis voor het oprapen. Er zijn speerpunten uit de Bronstijd gevonden. Het berkenbosje waar hij hits voor Skik componeerde, was een grafheuvel van het Trechterbekervolk.

En dáár, wijst hij naar het zuidwesten, voorbij de aardappel- en bietenvelden in het lieflijke veenlandschap, daar maakten de Drenten gehakt van de bisschop van Utrecht. Op 27 juli 1227, de slag bij Ane. Lohues: „Het leger galoppeerde zo het moeras in. Met hun zware harnassen zakten ze tot aan hun nek in de smurrie. En toen kwamen de Drentse boeren met hun scherpe zeisen en sikkels, met hun dorsvlegels en mestvorken. Klatsie, batsie boem. Bisschop kop d’r af, alle ridders dood.”

De Drenten wonnen. Opa Kolker fietste met de jonge Daniël langs de plek. Ze hoorden vertellen dat de nieuwe bisschop daarna elk jaar een strafexpeditie naar Drenthe stuurde. Boerderijen in de fik, oogsten verbrand, vrouwen verkracht. Lohues: „Wetenschappelijk bewijs ontbreekt. Maar ik heb dit later gekoppeld aan het feit dat Drenten kritiek vaak over zich heen laten komen. Het meest strijdvaardige van de Drenten is er denk ik toen wel afgefikt. Schelden döt niet zeer.”

We spreken elkaar in een café even buiten Erica. Aanleiding is de tentoonstelling Hier kom ik weg in het Drents Museum met Lohues (1971, Emmen) als gastconservator. Samen met archeoloog Jaap Burger ging hij op zoek naar historische vondsten bij de verhalen van zijn opa. In het museumdepot, een zwaar beveiligd anoniem pand op het industrieterrein van Assen. „Ik voelde me een soort James Bond. Opeens sta je in de schatkamer van Drenthe.”

In Hier kom ik weg vertelt Lohues de geschiedenis van het verdomhoekje van Drenthe aan de hand van zijn favoriete kunstwerken en gebruiksvoorwerpen. Van een vuistbijl van Neanderthalers tot een ietepetieterig pyrietbolletje dat de hunebedbouwers gebruikten als aansteker. Van een land art-kunstwerk van Amerikaan Robert Smithson tot mysterieuze schatten uit het veen – voor natuurgeloven is de grens van water, zand en lucht heilig. Romeinse munten, een pijl en boog, een schoen en een hand. „Een stukje veenlijk, ja”, grinnikt Lohues. „Zo’n geval dat je wel eens aan je hond geeft, maar dan met vijf vingers.”

Blikvanger zijn twee olieverfschilderijen van Vincent van Gogh en een brief van de schilder aan zijn broer Theo. Die gaat over het landschap, „melankoliek en dramatisch”. „Het is hier zoo gansch en al dat wat ik mooi vind, dat wil zeggen ’t is hier vrede.” Want Vincent verbleef in 1883 drie maanden in de achtertuin van Lohues – toen pioniers overal vandaan naar Drenthe kwamen om het veen af te graven en er turf van te stoken.

Lohues: „Terwijl de zanddrenten toekeken kwamen hier avonturiers uit Overijssel, Friesland, Groningen, Duitsland. Het werd op het veen een smeltkroes zoals je die ook rond 1900 had in Omaha, Nebraska, met de spoorlijn. Er kwamen arbeiders, boeren, slagers, bakkers, anarchisten, katholieken, liberalen, gelukzoekers, predikers, kunstenaars. En daar liep Vincent van Gogh met z’n rooie kop tussen.”

De jonge Vincent moest het vak nog leren. Hij maakte schetsen, aquarellen en een paar schilderijen. Zoals de Turfschuit, geschilderd in Nieuw-Amsterdam, bij de enige bocht in het kanaal. Lohues: „Elke keer dat ik erlangs kom vraag ik me af: moeten we hier geen bordje neerzetten? In Amerika hebben ze groene points of interest. In Londen zag ik een bordje: ‘Hier woonden Jimi Hendrix en Georg Friedrich Händel’. Maar dat doen we hier niet in Drenthe. Dat is de Saksische mentaliteit, plattelandscultuur. Niet opscheppen, maar jezelf klein maken. Ik vind dat een fantastische manier om in het leven te staan. Waarom zou je jezelf voortdurend op de borst moeten slaan?”

Geschiedenis van de streek blijft in Zuidoost-Drenthe vooral een mondelinge traditie. De vraag is: hoe lang nog? De gastconservator heeft geen idee. Maar hij merkt wel dat de Drentse taal langzaamaan verdwijnt en daarmee ook de verhalen. „Zestienjarigen verstaan nog dialect, maar spreken doen ze het niet meer. Ze kijken televisie die overal dezelfde supercultuur over de mensen uitstort. Elke mens staat in zijn tijd. Deze plek is er over 10.000 jaar nog. Ik denk alleen dat er dan geen mensen meer zijn. Als je analyseert wat Islamitische Staat nu doet, krijgen we Mad Max in de veenkolonie.”

Lohues begint over zijn opa. Hij wees de weg in de geschiedenis, in de Drentse taal en leerde hem schieten. Vanuit een greppel moest hij als achtjarige losse deksels van jampotjes schieten. ‘Soldaat Lohues laden’, klonk het, ‘vuren!’ De tentoonstelling is een ode aan opa, vertelt Lohues, zijn verhalen moet hij doorvertellen. Met glinsterende ogen: „Thuis hangt een foto van opa en oma aan de muur. Ik kijk ernaar op momenten dat katholieken een kaarsje bij Maria aansteken. Voorouderverering, zoiets. Ik ben ze dankbaar voor het leven dat ik leid. Zij zijn mijn roots, mijn wortels, mijn geschiedenis. Als je dat niet in de gaten hebt, wat ben je dan?”