... Nederland vecht vol begrip

Met zes F-16’s en met trainers die Iraakse en Koerdische strijdkrachten zullen adviseren, doet ook Nederland mee aan de oorlog tegen de ‘Islamitische Staat’. Dat Nederland weer ten strijde trekt en deelneemt aan een internationale coalitie, wekt geen verbazing. Het kabinet maakte al eerder duidelijk dat het onderdeel wilde zijn van een ‘coalition of the willing’ en een grote meerderheid in de Tweede Kamer heeft al laten blijken het daarmee volstrekt eens te zijn. De uitkomst van het nog te voeren Kamerdebat is dan ook al duidelijk.

De militaire acties waaraan de Nederlanders zullen meedoen, worden vooralsnog beperkt tot het luchtruim van Irak. Dat land heeft de Verenigde Naties om interventie gevraagd. Dat geldt niet voor Syrië en voor een militair ingrijpen daar ontbreekt het volkenrechterlijk mandaat dat een resolutie van de Veiligheidsraad kan bieden. Zo’n mandaat is wel een vereiste, vindt het kabinet terecht, en het is daarom correct dat het afziet van militair ingrijpen in Syrië. Als gezegd: vooralsnog, want noch vicepremier Asscher (PvdA) noch minister Plasschaert (VVD) sloot gisteren uit dat het toch van gewapende deelname van Nederland aan de strijd tegen IS in Syrië komt. Het vergt geen vergrootglas om te zien dat de twee coalitiepartners over de noodzaak van een mandaat verdeeld zijn.

Nederland heeft zichzelf wel in een spagaat gezet. Het vindt weliswaar dat militair ingrijpen in Syrië een mandaat van de Veiligheidsraad vereist, het toont tegelijkertijd wel „begrip” voor de krijgshandelingen in Syrië die de Verenigde Staten en andere, met name Arabische landen verrichten. Het oer-Nederlandse ‘gedogen’ is als politieke houding nu dus ook de grens overgestoken. Het luistert nauw: ‘begrip’ tonen is wat anders dan ‘politieke steun’, die indertijd zo omstreden is geworden nadat Nederland die had gegeven aan de Amerikaanse interventie in Irak (in 2003). Vermoedelijk zal de logica van dit onderscheid in de Haagse binnenwereld op meer begrip kunnen rekenen dan elders.