Lady Gaga: gewone popster

De Amerikaanse superster Lady Gaga krijgt steeds meer last van het Pippi Langkoussyndroom. Omdat ze anders is dan anderen, vindt ze dat ze daarom per definitie bijzonder is. Maar ze is helemaal niet zoveel anders dan Madonna, of Pink, of Miley Cyrus in de manier waarop ze haar megashows vorm geeft. Haar populariteit lijkt alweer tanende: de Ziggo Dome gisteren niet was uitverkocht. Kern van het probleem zit in het feit dat Lady Gaga zichzelf zo nadrukkelijk een muzikant vindt en niet zomaar een popster. Ze speelt aardig piano en ze zingt zuiver, zij het met een glasharde, zielloze stem. Haar optreden heeft iets ordinairs, zoals ze tussen de nummers kan krijsen als een viswijf met veel “fuck” en “I made art out of this shit”. Kern van haar populariteit ligt besloten in haar relatie met de fans, die ze “little monsters” noemt. Voor niet-ingewijden bleef wat ze bracht platte kermismuziek, met oubollige rockgitaren en een basis van ouderwetse house. Born this way speelde ze wijselijk als een langzame powerballade achter de piano, om het jatwerk van Madonna dat er in zit te verhullen. Er werd veel met bijna blote billen over het podium geparadeerd en gezongen onder blonde pruiken: waarom ze Gypsy in een bruidsjapon zong bleef onduidelijk. Jurken maken Lady Gaga tot wat ze is: een doodordinaire popster die haar charme in recordtempo kwijtraakt.