Even apart, als ’t Bram allemaal te veel wordt

Passend onderwijs? Op het Willem Blaeu weten ze al jaren hoe je ‘moeilijke’ leerlingen opvangt.

In de kantine op school is het veel te druk voor Bram. Om de ernst van de zaak wat kracht bij te zetten, zegt hij: „Het is écht veel, veel, veel én veel te druk.”

Al die scholieren in één ruimte, hij wordt er duizelig van. „Ik raak compleet gedesoriënteerd.”

Daarom gaat de 13-jarige havo-leerling van scholengemeenschap Willem Blaeu in Alkmaar in de pauze naar een ‘time-out’, een speciaal lokaal in het schoolgebouw. Bram heeft asperger en maakt deel uit van de zogenoemde Trajectgroep.

De leerlingen uit deze groep hebben stoornissen als ADHD of autisme en volgen de normale lessen op de reguliere school. Daarnaast kunnen ze de hele dag terecht in het speciale lokaal. Daar kunnen ze even op adem komen en begeleiding krijgen van twee pedagogen. Die helpen de scholieren, met het plannen van huiswerk tot aan het oplossen van conflicten.

De Trajectgroep is een bijzondere constructie, die op zo’n 25 scholen in het land bestaat. Het Willem Blaeu begon er als eerste in zijn regio mee, in 2006, als voorbereiding op de invoering van passend onderwijs. De scholengemeenschap begon met drie leerlingen, op vmbo-niveau. Nu kan de Trajectgroep 35 scholieren opvangen, op elk leerniveau.

Sinds 1 augustus is overal in Nederland passend onderwijs van start gegaan. Het betekent dat alle scholen in basis- en voortgezet onderwijs verplicht zijn om voor elke leerling een passende plek te vinden in het reguliere onderwijs. Dus ook voor leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben. Doorverwijzen naar speciaal onderwijs kan, maar de drempel daarvoor ligt nu hoger. Veel scholen worstelen met het inpassen van de ‘moeilijke’ leerlingen in de klas.

„Wij denken iets in handen te hebben dat écht werkt”, zegt zorgcoördinator Lucia Al van Willem Blaeu. „Vrijwel iedereen uit de Trajectgroep haalt zijn of haar diploma. Zelfs op vwo-niveau.”

Rust en veiligheid

Het succes ligt volgens Al vooral in de begeleiding en de structuur die de school biedt. „Dat geeft rust en veiligheid.”

De zeven brugklassers uit de Trajectgroep zijn de eerste maanden van het schooljaar verplicht zich te melden in het speciale lokaal, nog voor de lessen beginnen.

Begeleider Mandy Tromp: „We vertellen wat er moet gebeuren. Dus hang even je jas op of trek je regenpak uit en stop je spullen in je kluisje.”

Daarna kijkt Tromp hoe de leerlingen zich voelen. „Zijn ze gespannen? Zo ja; hoe komt dat? Was er ruzie thuis en nemen ze die boosheid mee? Of zijn ze onderweg misschien met de fiets gevallen?”

Dat laatst gebeurt geregeld, zegt Tromp. „De scholieren moeten vaak een eind fietsen, zijn onderweg druk in hun hoofd en daardoor snel afgeleid.”

Als de leerlingen tot rust zijn gekomen, controleert Tromp of iedereen de juiste boeken bij zich heeft en of er wel pennen en schriften in de tassen zitten. „Zo niet, dan hebben we hier een kast vol met reservemateriaal.” Waarom dat zo belangrijk is? Tromp: „Je wilt niet dat er meteen gedoe in de les ontstaat omdat een scholier zijn spullen niet bij zich heeft. Dat leidt iedereen af.”

Als Bram op school komt, heeft hij vaak geen idee welk vak hij in het eerste uur heeft. „Dat is me dan gewoon te veel.” Tromp vertelt het hem. En ze neemt de roosterwijzigingen met hem door. Ze vraagt of hij zijn huiswerk heeft gemaakt en of ze hem moet helpen met de planning. Als het Bram niet lukt om een toets in de reguliere les te maken, mag hij de test ook in het speciale lokaal doen.

Ontploffing

De prikkels stapelen zich in de loop van de dag op voor de kinderen uit de Trajectgroep. Naar school fietsen, de klas in, intensieve lessen, pauzes, gangen vol kinderen. Dan kan het gebeuren, vertelt zorgcoördinator Al, dat het tijdens de les tot een ontploffing komt. „Het wordt een leerling allemaal te veel.”

Het gebeurt ook dat scholieren blokkeren en voor niemand meer bereikbaar zijn. Tromp: „Dan is er een interventie nodig. In beide gevallen kan een leerkracht ons bellen. We halen de leerling op en proberen de spanningen en frustraties weg te nemen. Als de rust is weergekeerd, kan een kind terug naar de klas. Soms is dat na een uur, soms pas na een ochtend.”

Het is de bedoeling dat kinderen van de Trajectgroep op den duur vrijwel zelfstandig kunnen functioneren. Leerlingen uit hogere klassen komen vaak nog maar twee keer per week. „Ze vinden het fijn dat er iemand is om op terug te vallen”, zegt Tromp. „Er is echt een vertrouwensband tussen ons en de scholieren.”

Bram beaamt dat: „Ik vertrouw jou volledig, mevrouw Tromp.”