Column

Een beetje begrip voor Duitsland mag best

De Duits-Poolse grens in de zomer. De prachtige snelweg ging over naar asfalt dat méér dan een opknapbeurt nodig had. De lichte, moderne benzinestations werden vermoeide etablissementen. Latte macchiato veranderde in slootwater en de openbare wc’s op de parkeerplaatsen gingen van brandschoon naar hooguit draaglijk.

Ja, zal je denken: het voormalige Oostblok heeft nog flink wat te leren van noordwestelijk Europa. Maar wat wil je, de Wende is nog maar een kwart eeuw geleden. Kun je dan wel verwachten dat een noodzakelijke mentaliteitsverandering al voltooid is? Van collectieve onverantwoordelijkheid naar het publieke goed van net, schoon, ordelijk en afgewerkt?

Geef ze de tijd. Komt allemaal goed.

Allemaal begrijpelijke gedachten, met één pijnlijke fout. De overgang die hier beschreven wordt ging niet van Duitsland naar Polen, maar andersom. Van Warschau richting Berlijn. Van nieuw en hoopgevend naar afgeleefd en afgeschreven. Een schokkende ervaring, die te denken geeft.

Natuurlijk: de Poolse wegen zijn veelal vernieuwd en aangelegd met hulp van Europees geld, waar Duitsland een van de grootste financiers van is. En Duitsland zelf kampt nog steeds met de last van het voormalige Oost-Duitsland dat sinds de eenwording een hemeltergende hoeveelheid geld heeft gekost. In wezen doet Polen het beter dan het voormalige Oost-Duitsland. Dat laatste heeft nauwelijks een schoktherapie hoeven ondergaan, gepamperd als het was door sociale programma’s. Maar het werd dwarsgezeten door de goedbedoelde beslissing van destijds om de Duitse mark één op één in te voeren. Waardoor het een concurrentienadeel kreeg dat het nog niet te boven is.

Polen kreeg daarentegen de hervormingsplannen van de Amerikaanse econoom Jeffrey Sachs over zich heen. Uiterst pijnlijk, onrechtvaardig soms, maar op de lange termijn veel effectiever.

Het is hier niet de bedoeling Polen uit te roepen tot een nieuw model – hoewel de regering in Warschau zelf die verleiding moeilijk lijkt te kunnen weerstaan. Maar de weg naar de hel ligt bezaaid met ontmaskerde modeleconomieën. Finland is het jongste gevallen kindsterretje.

Interessanter is de vernieuwing van een oud model: Duitsland. Draconische hervormingen (‘Hartz’ I tot en met IV) tot 2005 hebben de concurrentiekracht van het land hersteld. Het begrotingstekort is weggewerkt. De succesvolle industrie is de trots van het land. Maar dat is allemaal wél bereikt ten koste van een uitgekleed sociaal vangnet en een samenleving die zucht onder achterstallig onderhoud. Vergelijk dat met Frankrijk met zijn 35-urige werkweek, waar een kwart van de werknemers ambtenaar is met een levenslang contract en pensioen op 62-jarige leeftijd. Én een begrotingstekort van 4,4 procent, dat zes jaar na de crisis nog geen enkel teken van daling vertoont.

Economen dringen er nu bij Duitsland op aan méér te investeren om de eigen economie en die van de eurozone aan te jagen. Ze hebben gelijk. Maar de weerstand bij een groot deel van het Duitse publiek is eveneens begrijpelijk. Waarom, voor het nut van het algemeen, de verworvenheden opgeven die zo veel moeite hebben gekost? Waarom doen de anderen niets?

Er zit een behoorlijke tragiek in de gang van zaken. Wat zouden we moeten doen in Europa om de zaak vlot te trekken? De tekorten wat laten oplopen, maar dan wel écht hervormingen doorvoeren in de economie. Frankrijk hanteert een hoog tekort, maar hervormt helemaal niets. Duitsland hervormde al fors, maar weigert zijn tekort in te zitten. Hoeveel verder kunnen de twee belangrijkste landen van de eurozone van elkaar verwijderd zijn?