Denzel gaat zweterige Russen te lijf

Op zich is de timing van The Equalizer perfect: 2014 is zo’n jaar dat je graag foute Russen ziet sterven. Hier zijn dat maffiosi, ofwel vori v zakone: dieven onder de wet. Types met lang vet haar, stoppels, tatoeages en kille grijze ogen, glimmend van zweet dat vermoedelijk riekt naar diesel, uien en wodka.

In Boston coördineert dit post-Sovjetgespuis vanuit een nachtclub de import van drugs en benzine, alsmede het wurgen van kindhoertjes. Tot ze de kleine Alina molesteren en zo op ramkoers belanden met ‘Equalizer’ Robert McCall, een gewezen elitekiller vol wroeging en liefdesverdriet die nu werkt in een bouwmarkt en leeft als een monnik.

Zet je brein buiten werking en McCalls strafexpeditie tegen pooier Slavi en spetsnaz Nicolai amuseert best even. Al is het maar om de altijd geloofwaardige Denzel Washington, die in 2001 met genrespecialist Antoine Fuqua het voortreffelijke Training Day maakte. Als McCall geeft hij tuig één kans om tot inkeer te komen, waarna hij vermoeid een stopwatch indrukt; omdat hij met al dat slowmotiongeweld zelf ook zijn tijdsbesef verliest? Montage en stilering van The Equalizer zijn elegant: somber bovenlicht, extreme close-ups van oogbal en zweetdruppel, flitsen van gekraakte schedels en gulpend bloed. En toch verveelt deze actiefilm op den duur omdat de plot voorspelbaar is en de personages – soms letterlijk – afgezaagd zijn. Dan wordt tweeënhalf uur een lange zit.