De kleine wereld van Melle Daamen

Herstel de doorgesneden band tussen podiumgezelschappen en theaters, en veel van de problemen die Melle Daamen signaleert zijn opgelost. Emeritus hoogleraar kunst en maatschappij Hans van Maanen reageert kritisch op Daamens analyse van de kunstsector.

Illustraties Olivia Ettema

Melle Daamen schoffeert zijn collega’s en de rest van Nederland met zijn ideeën over de kunstwereld (CS 21 en 28 aug). Ze leveren veel rumoer op, weinig nieuw inzicht en gelukkig nauwelijks steun.

Kunst en koopmansgeest

Dat heeft ten minste twee oorzaken: 1. Hij slaat soms op pijnlijke wijze net naast de spijker; 2. Zijn lijstjes leiden gemakkelijk tot perverse voorstellen.

Van het eerste geef ik twee voorbeelden. Onder het kopje ‘Calvinisme’ kenmerkt hij de Nederlandse koopman-dominee-identiteit als sober, pragmatisch en egalitair. Maar de kern is dat een bevolking die van de handel leeft, moeite heeft met alles wat verstorend werkt. De koopman (en zijn volksvertegenwoordiging!) houdt van stabiliteit in zijn hoofd en in zijn wereld; probleem voor Nederland. Ander voorbeeld: Onder ‘Politieke luwte’ bespreekt Daamen de verandering in het kunstbestel waarbij „het cultuurbeleid steeds meer tot een systeem werd gemaakt” (1985). Maar hij vergeet de belangrijkste elementen van die politieke ingreep: het volledig overhevelen van de productiesubsidies naar het Rijk. Daarmee werd het beleid nog meer gericht op de vrijheid van kunstenaars om hun talen en talenten te ontwikkelen. En Nederland was al het enige land in Europa waar het maken van kunst vrijwel helemaal losstond van het tonen ervan (door gemeentelijk gefinancierde podia). Lange tijd was men in het buitenland jaloers hierop, maar een te grote kloof tussen de ontwikkeling van kunst en die van publiek is nu voor beide partijen desastreus gebleken (maar misschien wel in het straatje van de koopman).

Aan de koopmansmentaliteit kan misschien via grondige kunsteducatie gesleuteld worden, maar het politiek, geografisch en sociaal verbinden van kunstenaars aan de rest van de samenleving is een kwestie van politiek handelen, van maakbaarheid zogezegd.

Een wereld met kunst of een wereldje van kunstenaars?

Melle Daamen smeekt de overheid om in te grijpen. Zijn bedoelingen versterken echter de negatieve gevolgen van de ingrepen van 1985. Daar is een verklaring voor. De kunstwereld kan op twee manieren bekeken worden: als de wereld van de kunst, de kunstenaars en hun inner circle, en als de wereld waarin kunstenaars en bevolking met elkaar te maken hebben. Melle Daamen omarmt de eerste opvatting, ik de tweede.

In Daamens opvatting van de kunstwereld lijkt geen plaats te zijn voor al die gediplomeerde kunstenaars die zichzelf maar moeten zien te redden als ze niet gecommercialiseerd willen worden. In mijn opvatting passen deze kunstenaars uitstekend, namelijk als kunstzinnige citizens.

Daamen vindt dat te veel van deze kunstenaars door het Rijk worden gesubsidieerd: wel 91 gezelschappen en orkesten heeft hij geteld. 91! Waarvoor Nederland te klein zou zijn. Maar in Nederland wonen bijna 17 miljoen mensen, voor wie de 2.500 rijksgesubsidieerde podiumkunstenaars samen ongeveer 8.000 optredens verzorgen. Dat is één podiumkunstenaar op 5.000 volwassen inwoners en gemiddeld 30 optredens per dag in Nederland. Als daarvoor de zalen niet gevuld kunnen worden, is er geen sprake van overproductie op macroniveau, maar misschien wel in Amsterdam.

De perversie van het Amsterdamse denken

De politieke vraag is waarvoor de culturele overheden willen betalen: alleen voor (inter)nationale topkunst in Amsterdam en omgeving, of ook voor boeiende kunst, inclusief (inter)nationale topkunst, waar elders in het land het andere (twee derde) deel van de bevolking naar toe kan. Kiezen voor het eerste is pervers, omdat aan grote delen van de potentiële Nederlandse kunstliefhebbers gelijke mogelijkheden om van kunst gebruik te maken de facto ontzegd worden ten faveure van soortgenoten in de Randstad. Daarmee wordt de kwaliteit van leven voor hen ernstig geschaad.

Wat te doen?

Daamen stelt terecht vast dat overproductie leidt tot vluchtigheid bij het kijken, tot minder binding met het publiek, tot vrijblijvendheid. En hij wijt deze problemen onder meer aan „fixatie op het nieuwe en het vernieuwende in het huidige kunstklimaat”. Hij en ik zien een onafzienbare stroom van honderden steeds weer nieuwe, vaak niet uitontwikkelde voorstellingen van jonge en oude makers. In ‘gewone’ steden zijn de meeste daarvan één avond te zien door een toevallig en vaak klein publiek. Dat noem ik overproductie én onderconsumptie. In vergelijkbare steden elders in Europa worden van drie keer zo weinig producties vijf tot tien keer zoveel voorstellingen gespeeld voor meer toeschouwers. Tel uit je winst: meer goede voorstellingen, meer mensen die ernaar kunnen gaan kijken, meer talk of the town en bovenal…een serieuze ‘vertraging’ in het bestel, zo gewenst door Melle Daamen en door mij.

Het Nederlandse bestel gaat mank aan een te grote overvloed van middelmatige producties en aan een onoverbrugbare kloof tussen gezelschappen en zalen. Beide problemen kunnen worden opgelost door kunstenaars en accommodaties structureel en verregaand te koppelen, zoals overal in Europa het geval is. De geschiedenis leert ons dat de majeure wijzigingen in het bestel door de overheid zijn ingevoerd (1946 en 1985) en dat het veld daarmee zeer ingenomen was. Nota’s die uit het veld voortkwamen, smoorden stuk voor stuk in te grote belangentegenstellingen. Dat moet nu, vanwege de urgentie, voorkomen worden. Dan toch maar een kleine commissie door de overheid ingesteld en door het veld gesteund?