Artistieke vrijheid verder ingedamd

Kunstcriticus Hans den Hartog Jager schreef vorige week een kritisch stuk over de beperkingen van geëngageerde, ‘linkse’ kunst. Dat leidde tot veel reacties, waarvan hier enkele, soms bekort.

Kijk ook naar kunst buiten de grote musea

Hans den Hartog Jager stelt dat geëngageerde kunst nooit echt iets kan bewerkstelligen in de maatschappij, omdat ze toch altijd zit ingekapseld in de kunstwereld. ‘Geëngageerd’ is zo’n term die historici en critici op kunst plakken om een ongrijpbare wereld te rubriceren. Het is lastiger schrijven als je het zonder die woorden moet doen. Maar de kunst van iemand als Hito Steyerl, door Den Hartog Jager genoemd, is veel te complex om met één zo’n term af te doen.

Den Hartog Jager zou de hand eens in eigen boezem kunnen steken en zich afvragen wat de kunstkritiek nog bijdraagt aan het denken over kunst, en vooral: aan het bieden van een ingang tot de kunst die niet is te zien in de grote musea en beurshallen. Critici zouden het zicht op die wereld kunnen openen. Daar hebben ze veel ruimte voor. De kunstkritiek is zelf in de val gelopen van de vooropgestelde eis dat ze over grote, succesvolle tentoonstellingen moet schrijven. Hoe geëngageerd kan ze nog zijn? Ze zou een eigen, kritische taal kunnen ontwikkelen en echt op avontuur uitgaan. Of is het al te laat? „De kunst heeft die vrijheid nog”, stelt hij. De kunstkritiek misschien niet meer.

Den Hartog Jager en zijn ‘rechtse’ ideologie

Het artikel over geëngageerde kunstenaars van Hans den Hartog Jager staat bol van ‘rechtse’ ideologie. Geëngageerde kunst is volgens hem pijnlijk voorspelbaar omdat ze altijd ‘links’ is: tegen de markt, het neoliberalisme en kapitalisme. De suggestie wordt gewekt dat kunst pas weer vernieuwend wordt als zij haar kritiek op markt, neoliberalisme en kapitalisme loslaat. Daaraan liggen enkele denkfouten ten grondslag. Vasthouden aan een maatschappijkritische attitude is noch gedateerd, noch ‘links’. Maatschappijkritiek vereenzelvigen met ‘links’ doet andere kritische opvattingen tekort. Dat je tegenwoordig niet met maatschappijkritiek kunt aankomen zegt iets over de huidige maatschappij.

Als Den Hartog Jager de ‘artistieke vrijheid’ van het romantische idee van kunstenaarschap combineert met geëngageerde kunst wordt de logica geweld aan gedaan. Autonomie, artistieke vrijheid, onaangepastheid zouden leiden tot voorspelbaarheid. Een commerciële houding zou daarentegen niet alleen onvoorspelbaar zijn, maar ook getuigen van het besef te weten welke rol kunst binnen de maatschappij vervult. Geëngageerde kunstenaars worden weggezet als ‘wereldvreemd’. Dat ‘wereldvreemdheid’ de mens de mogelijkheid biedt afstand te nemen van de bestaande productie- en consumptiemachine en kunstzinnige kritiek hierop meer dan ooit van node is, wordt als ‘naïef’ en ‘verdwaasd’ weggezet. Kritiek op de markt is ‘rechtse’ politici en subsidiegevers een doorn in het oog. Dat zij de artistieke autonomie steeds verder indammen verbaast niet. Het ‘rechtse’ alternatief dat Den Hartog Jager voorstelt, is zowel voorspelbaar als naïef en dwaas. Kunstenaars uitleveren aan de wetten van de markt betekent de totalitaire bevestiging hiervan.

Auteur van ‘Gelukkig met minder’

Wie bekritiseert de critici?

Een kunstcriticus heeft macht. Zeker als deze voor een krant schrijft. Hij of zij kan de reputatie van een cultuurmaker of cultuurinstituut breken of juist tot grote hoogtes brengen. Deze macht komt met verantwoordelijkheid. En er zijn bepaalde dingen die je als kunstcriticus niet kunt doen.

Je kunt als criticus niet van cultuurmakers eisen dat zij hun politieke overtuigingen veranderen. Den Hartog Jager klaagt dat kunstenaars zich niet „zonder morren aan de maatschappelijke normen” conformeren, zoals commerciële bedrijven dat plegen te doen. Hij stelt dat ze „eerst het eigen ideologische fundament moeten herijken”, als ze met hun kunst invloed willen uitoefenen. Dit type kritiek kan in een land als Rusland, maar in Nederland komt het wat belachelijk over. De taak van de kunstcriticus is om een kwaliteitsoordeel te vellen, niet om een politieke lijn op te leggen.

Je kunt als criticus niet het werk van cultuurmakers affakkelen zonder op hun werk in te gaan. Kunstenaars en curatoren als Hito Steyerl, Jonas Staal, Charles Esche, Maria Hlavajova en Jelle Bouwhuis worden in de beklaagdenbank gezet als vertegenwoordigers van het naïeve linkse engagement. Dat oordeel wordt echter nergens onderbouwd aan de hand van hun werk.

Je kunt als criticus niet het werk van cultuurmakers bekritiseren omdat ze „integraal deel uitmaken van het systeem dat ze lijken te bekritiseren”. Dat is geen eerlijke kritiek. Cultuurmakers moeten gewoon de huur betalen en zijn daarvoor afhankelijk van instituties, zoals de overheid, cultuurfondsen of de markt.

Dit alles roept de vraag op: wie bekritiseert de critici? Kunstenaars en cultuurmakers worden continu geëvalueerd en beoordeeld. Critici echter, kunnen het zich veroorloven om slechte kunstkritiek te leveren, zonder dat het enige gevolgen heeft.

Merijn Oudenampsen