Alles is een metafoor

De boekenmarkt wordt overspoeld door young adult-fantasy, allemaal in het kielzog van The Hunger Games. In boekverfilming The Maze Runner rennen knappe mensen door een labyrint én worden er fundamentele vragen gesteld.

Beeld uit The Maze Runner, die nu in de bioscoop draait.

Wie is hij? Hoe komt hij hier? Waar gaat hij naartoe? Dat zijn de vragen waar de film The Maze Runner (en de oorsprong van de film, het boek De labyrintrenner van James Dashner) mee begint.

De jonge Thomas wordt wakker in een kooilift die hem omhoog voert. Hij weet niet hoe hij daar gekomen is en wie hij is. Nou ja: zijn naam, die weet hij, en hij ziet op zijn netvlies ook nog wat losse herinneringen, maar het complete beeld van zijn vroegere persoonlijkheid kan hij niet meer terughalen.

Echte vragen. Behalve dat het een lekkere actiefilm is, met knappe jonge mensen die door een labyrint rennen, door de regisseur op een meeslepende manier in beeld gebracht, stelt The Maze Runner fundamentele vragen. Om met de filmrecensent van deze krant te spreken: ‘vragen over leiderschap, groepsvorming, vrije wil, vrijheidsdrang en angst voor het onbekende’.

En het mooie is: dáárin moet hoogstwaarschijnlijk de verklaring gezocht worden voor het succes van deze nieuwe young adult-hit, gebaseerd op de gelijknamige boekenserie van James Dashner. Die wezenlijke vragen lijken ook de reden dat de boekenserie sinds deze zomer net zo populair is als The Hunger Games, en dat de film meer publiek trok dan menige rechttoe rechtaan actiefilm.

Wat is het doel van dit bestaan?

Als de lift stopt en opengaat, blijkt Thomas terechtgekomen in een onwaarschijnlijke omgeving. Een grote vlakte met gras en struikgewas en een paar gebouwtjes, omringd door betonnen muren die met klimop begroeid zijn. Tussen die muren woont een groepje jongens in een zelfbesturend samenlevinkje – naar later zal blijken: een soort oase middenin een reusachtige en raadselachtige doolhof. Ze zitten er gevangen.

Het verhaal is slim opgebouwd. Als lezer of kijker zit je met dezelfde vragen als Thomas – we worden meteen samen met hem in de vreemde wereld gedropt, waar de gewoontes en de uitzonderingen voor hem én ons nog volstrekt nieuw zijn. ‘Zo is het nou eenmaal’, krijgt Thomas te horen, en dat maakt hem (en ons) anti-autoritair. Hij gaat daarom meteen op onderzoek uit – met succes. Maar de bedreiging die de labyrintbewoners treft, wordt al snel concreet. In de doolhof wonen zogenaamde ‘grievers’, machineachtige monsters die mensen steken – maar tegen die steek bestaat een serum. Wat voor monsters het zijn en hoe die te overwinnen zijn, is dus de vraag niet; zoals je die in een ‘gewone’ actiefilm misschien had gekregen. Het gaat hier om fundamentelere vragen: wie is de schepper van dit alles, en wat is het doel van dit bestaan?

Gemor uit literaire kringen

Maar die waarde herkent nog niet iedereen. Er klonk de afgelopen tijd wat gemor, in internationale literaire kringen, over het succes van het genre young adult (YA). De boekenmarkt wordt de laatste jaren overspoeld door YA-fantasy, allemaal in het lucratieve kielzog van The Hunger Games, Divergent en – langer geleden, maar onmiskenbaar de aanstichter van dit alles – Harry Potter. Boekenseries die door jong en oud verslonden worden: YA-fictie staat ook wel bekend als ‘het type boeken dat je wél wilt lezen’.

Schrijver Ruth Graham schreef deze zomer een veelgelezen verhaal in onlinetijdschrift Slate, waarin ze stelde dat volwassenen met een voorliefde voor YA zich zouden moeten schamen. Haar bezwaar: de eindes van YA-boeken zijn „eensluidend bevredigend, of die bevrediging nou komt door gehuil of gejuich”, waarmee ze ook verwees naar de recente huilhit The Fault in Our Stars van John Green. Die bevrediging zou geen recht doen aan de harde werkelijkheid, stelde Graham, en de lezer daarom dom houden: „Deze eindes zijn symbolisch voor het feit dat de emotionele en morele ambiguïteit van volwassenenfictie – van de echte wereld – volledig ontbreekt in YA-fictie.”

Daar zit wat in, maar er is ook wel wat op af te dingen.

Maar het is niet de echte wereld

Een belangrijk algemeen kenmerk van YA is inderdaad dat het niet over de echte wereld gaat: je moet alles zien als een metafoor. Het echte leven wordt er in het extreme getrokken, overdreven. De YA-dystopie is daarmee een proefopstelling waar de lezer of kijker extreme emoties kan voelen, en aan het einde heeft gezien hoe je met die grote emoties kunt omgaan en hoe je de grote vraagstukken van het leven kunt beantwoorden. En dat in de vorm van een lekker verhaal – zodat je er geen geoefende literatuurlezer voor hoeft te zijn. Denk aan het oervoorbeeld van dit genre, Harry Potter: de grote dreiging in Harry’s tovenaarswereld is een eenvoudig aanwijsbaar kwaad, zoals Heer Voldemort dat is – en daar strijdt Harry met succes tegen. Nee: dat is niet zoals de wereld in elkaar zit – daar zijn goed en kwaad minder scherp uit elkaar te houden.

Die metaforische overdrijving heeft The Maze Runner ook. Zonder veel van de plot te verklappen: het is een verhaal waarin technologie alles heeft overgenomen – een uitvergroting van een kwestie van de huidige tijd. En terwijl Thomas erop hamert om het labyrint in te gaan om het kwaad het hoofd te bieden, is de rest van de groep jongens daar huiveriger voor. Inderdaad: dat is ook een uitvergrote parallel met de al te menselijke angst voor het vreemde.

Maar het probleem met Grahams betoog is haar nadruk op het einde van het verhaal – je kunt het onmogelijk eens zijn met de stelling dat de populariteit van alle YA te verklaren is uit de geruststellende bevrediging aan het einde. Ten eerste is het einde van veel YA behoorlijk ambigu. Al overwon uiteindelijk het kwaad, na zeven Harry Potter-delen; de scheidslijn tussen goed en kwaad is steeds minder scherp te trekken. (Eén woord, voor iedereen die Potter las: Sneep.)

Er is nog helemáál geen einde

Het is bovendien een onmogelijke redenering. Populair wordt een boek of film immers niet door het einde – dat ken je natuurlijk pas als je het boek al lang en breed gekocht hebt, of al twee uur in de bioscoop hebt gezeten. En dan nog: YA-fantasy heeft vaak meerdere delen, dus wie deel één heeft gezien of gelezen, kent het slot nog niet. Het is juist het tegendeel van bevrediging: er is geen gejuich en geen gehuil, er is nog helemáál geen einde.

Dat geldt ook voor The Maze Runner: aan het einde is de uitgang van de doolhof misschien in zicht, maar de grote vragen zijn nog niet opgelost. Het is misschien wel het toppunt van ambiguïteit en precies de reden dat The Maze Runner zo goed is: het biedt een mogelijke route door het labyrint en laat zien dat er telkens afslagen genomen moeten worden. Maar of je daar uiteindelijk nou beter van wordt? Het stelt vragen, dus. Echte vragen.