Wat gebeurde er in Deurne?

Juweliersvrouw Marina schoot twee overvallers dood met een illegaal wapen. Justitie vindt het „proportioneel geweld”.

Camerabeelden van de overval op juwelier Goldies in Deurne, op 28 maart van dit jaar. Foto’s Openbaar Ministerie

„Wij zijn niet over een nacht ijs gegaan”, zegt hoofdofficier van justitie Bart Nieuwenhuizen over het besluit juweliersvrouw Marina niet te vervolgen voor het doodschieten van twee overvallers in haar winkel in het Oost-Brabantse Deurne. Haar man Willy wordt overigens wél vervolgd, voor verboden wapenbezit.

Nadat Nieuwenhuizen daags na de overval het vermoeden had geuit dat het om noodweer was gegaan, besloot hij ook het „onafhankelijke” oordeel van anderen te vragen – andere officieren van justitie, maar ook rechtssociologen en hoogleraren gespecialiseerd in het begrip noodweer. Nieuwenhuizen: „Ik ben vrij snel geweest met mijn voorlopige oordeel. Wat ik niet wilde, is dat een van mijn officieren in een zaak er alleen maar op uit zou zijn mijn voorlopig oordeel te bevestigen. In die tunnel wilde ik niet lopen.”

Unaniem oordeelden de adviseurs dat inderdaad sprake was van noodweer. Wel was er één rechtssocioloog, vertelt de Bossche hoofdofficier, die vond dat dit oordeel aan een rechter moest worden voorgelegd. Ook de advocaat van nabestaanden van een overvaller noemde het gisteren „teleurstellend” dat er geen rechter aan te pas is gekomen. Tegen het besluit van het Openbaar Ministerie (OM) kunnen zij nog wel bezwaar maken bij het gerechtshof.

Nieuwenhuizen: „Als sprake is van noodweer, heeft het OM de bevoegdheid en de verantwoordelijkheid de zaak af te doen. Punt. In dit geval is dat een zware beslissing, want er zijn wel twee jonge levens te betreuren. Je kunt bovendien redeneren: is het maatschappelijk belang in deze zaak niet zo groot dat je toch naar de rechter moet gaan? Daarvan zeggen wij: wij erkennen het belang van een openbare rechtszitting voor nabestaanden. Maar dat belang is te licht. In die zittingszaal zal er niets anders of meer gebeuren dan wij in een openbare persconferentie kunnen brengen. De officier zal ontslag van rechtsvervolging eisen en de advocaat van de verdachte zal zeggen: helemaal mee eens, zo maar doen. Binnen twee minuten kan zo’n zaak gedaan zijn.”

Ook speelt de psychische toestand van de juweliersvrouw een rol. „Zij is al eerder overvallen en zij heeft daarbij een posttraumatische stressstoornis opgelopen. Deze overval heeft deze stoornis versterkt. De gang naar een openbare zitting zou voor haar een te zware psychische belasting zijn.”

De reconstructie van de 71 seconden durende overval wees uit dat Marina in het kantoortje, van de winkel gescheiden door een dun wandje, op monitoren zag dat Willy werd aangevallen. Zij pakte een vuurwapen dat Willy enkele jaren eerder illegaal had aangeschaft na een vorige overval. Toen de jongste van de twee overvallers het kantoortje wilde binnendringen, hield Marina de deur tegen schoot door een kier. De kogel doorboorde diens hart. De overvaller trok zich terug, liep nog de winkel in en overleed. Toen Marina de deur opende zag ze haar man in hevig gevecht met de tweede, gewapende overvaller. Zij sloot de deur weer en schoot er volgens justitie „in blinde paniek” doorheen. Daarbij doodde ze de tweede overvaller met een schot door de longen en verwondde ze haar eigen man in de hand.

Waardoor precies kan Marina zich bij deze dubbele doodslag beroepen op noodweer? Wringt het niet dat de juwelier verboden wapenbezit wordt verweten, maar dat zijn vrouw dat wapen wel mocht gebruiken om twee mensen neer te schieten? „Dat wringt”, zegt Nieuwenhuizen. „Maar verboden wapenbezit staat sinds 1983 los van het recht op zelfverdediging. In het zogenoemde Bijlmerarrest heeft de Hoge Raad die twee feiten losgeknipt. De Raad zei toen over een stewardess die een van haar overvallers in de Bijlmer had doodgeschoten: bezit van een verboden vuurwapen maakt niet dat je daarmee je recht op zelfverdediging verliest.”

Dat Marina zich moest verdedigen, is volgens Nieuwenhuizen een uitgemaakte zaak. „Stel dat ze alleen in dat kantoortje was geweest en dat had een achterdeur gehad. Dan hadden wij geredeneerd: je had niet hoeven schieten, je had kunnen vluchten, je hebt een verkeerde keuze gemaakt. Dan was het geen noodweer geweest. Maar het kantoortje had geen achterdeur, en haar man had hulp nodig bij zijn verdediging, die kon zij niet alleen laten. Wat de vrouw deed, was proportioneel.”