Van flexwerken word je niet flex

Flexwerkers zijn minder gelukkig dan mensen met een vast contract. Oorzaken: onzekerheid en een hogere werkdruk. Terwijl er juist meer flexwerkers komen.

illustratie tomas schats

Tijdelijke werknemers hebben een lager welzijnsniveau dan werknemers met een vast contract. Dat schrijven onderzoekers van de Rijksuniversiteit Groningen deze week in het vakblad Tijdschrift voor Arbeidsvraagstukken (TvA).

De onderzoekers vergeleken het welzijnsniveau van werknemers met een vast contract, flexwerkers en werklozen. Werknemers met een vast contract gaven zichzelf gemiddeld een 7,3. Het welzijn van mensen met een tijdelijke baan was iets lager, zij gaven zichzelf gemiddeld een 7,15.

In het onderzoek worden meerdere verklaringen voor het verschil gegeven. Werknemers met een tijdelijk contract ervaren een hogere werkdruk, zegt universitair docent arbeidsmarkt Peter van der Meer, een van de twee onderzoekers. „Vooral degenen die in het begin van hun carrière zitten. Zij hebben het gevoel alles te moeten geven om kans te maken op een vast contract.”

En: een flexcontract brengt meer onzekerheden met zich mee. Van der Meer: „Je weet niet of je volgend jaar nog werk hebt, en zo ja, waar?”

Ook autonomie – zeggenschap over werktijden, werktempo en werkzaamheden – en minder kansen om zichzelf te ontwikkelen zijn volgens Van der Meer oorzaken van het lagere cijfer.

Maar het aantal flexwerkers stijgt juist

Nederlanders moeten zich opmaken voor een toekomst zonder contracten, tonen onderzoeken naar flexwerkers juist aan. Vorig jaar had één op de vier werknemers een tijdelijk dienstverband, in 2020 zal dat bijna één op de drie zijn, zo bleek eerder dit jaar uit onderzoek van TNO Arbeid en uitzendkoepel ABU.

Cijfers van het Europese statistiekbureau Eurostat laten zien dat alleen Polen, Spanjaarden en Portugezen vorig jaar vaker in losse dienstverbanden werkten. Met name laagopgeleiden met een zwakke onderhandelingspositie lopen meer risico’s door flexwerk, zo staat in een onderzoek van het Wetenschappelijk Bureau voor de Vakbeweging. Laagopgeleiden werken vaker in nachtdienst of staan achter machines die ze niet goed weten te bedienen, wat tot meer ongevallen leidt.

Bij een verdere flexibilisering van de arbeidsmarkt zien we dat het kwaad (werkloosheid) wordt bestreden met een minder kwaad (tijdelijke baan), aldus de onderzoekers. „Maar we zien ook dat het ten koste gaat van het goede: een vaste baan.”