Negen el tafellaken en een Pruysch contoir; De huizen en bewoners van het Leidse Rapenburg

Th.H. Lunsingh Scheurleer, C. Willemijn Fock en A.J. van Dissel: Het Rapenburg. Geschiedenis van een Leidse gracht. Deel VIa en b. Uitg. Kunsthistorisch Instituut, Leiden. 874 blz. Prijs ƒ 55,- (excl. verzendkosten = ƒ 8,50). Index van personen. 156 blz. Prijs ƒ 10,- (excl. verzendkosten = ƒ 6,50). (Verzendkosten VI + Index ƒ 10,-). Te bestellen door storting op giro 1749980 tnv Rapenburgprojekt Leiden.

Het Rapenburg in Leiden begon als een bescheiden vestinggracht, maar heeft al sinds de Gouden Eeuw een statig karakter. Onder leiding van de Leidse hoogleraar Willemijn Fock werd de geschiedenis van dit "cultuurhistorisch monument' in zes delen uitputtend beschreven. Onlangs verscheen het laatste deel. “Het is fascinerend om te zien hoeveel beroemde kunstwerken ooit ergens op het Rapenburg hebben gehangen.”

Iemand moet ooit op het idee gekomen zijn het Rapenburg te graven. De geschiedenis van dit luisterrijke water gaat terug tot diep in de middeleeuwen, toen Leiden nog maar een klein stadje was. De graven van Holland hadden er hun woonstede op de zuidelijke oever van de Rijn. Om de bescheiden nederzetting tegen de boze buitenwereld te beschermen, werd aan de west- en zuidkant een vestinggracht aangelegd.

De huizen die er verrezen, waren van hout en stonden met hun rug naar het water. Er moet in elk geval ook een vestingmuur gestaan hebben, want een paar jaar geleden werd er een stukje van opgegraven. Aan de overkant, waar nu het Academiegebouw staat, begon het platteland. Dat beeld veranderde na 1386, toen de Witte Singel werd gegraven en het Rapenburg opeens midden in de stad kwam te liggen. In de loop van de volgende drie eeuwen hadden aan de "oudste' kant ingrijpende veranderingen plaats: de houten huizen werden door stenen vervangen, de achterkant van de bebouwing werd voorkant. Achter de trap- en tuitgevels speelde zich het leven af van kleine neringdoenden, hoogwaardigheidsbekleders en - in de drie kloosters - religieuzen.

Na het beleg door de Spanjaarden brak een nieuwe periode aan. De komst van de universiteit zou het Rapenburg een ander aanzien geven. Het beeld werd meer en meer bepaald door hoogleraren en studenten. Uitgevers en boekhandels deden goede zaken.

In de Gouden Eeuw maakten vele oude huizen plaats voor imposante, op classicistische leest geschoeide panden, die aanzien, macht en rijkdom uitstraalden. Toch waren toen de kleine neringdoenden niet geheel van het toneel verdwenen, hetgeen de pluriformiteit alleen maar ten goede kwam. Sindsdien heeft het Rapenburg zijn statige karakter behouden, al zijn in latere eeuwen wel een paar vreselijke dingen gebeurd. Vooral in de twintigste eeuw heeft het stadsbestuur vernieuwingen toegestaan die geen verbetering bleken. Regelmatig waren er ook plannen om de gracht te dempen, maar tot dusver is het daar goddank niet van gekomen.

Rijck van Pallas

Het Rapenburg is een cultuurhistorisch monument van de eerste orde. Het was een gelukkige gedachte om deze gracht object te maken van een vrijwel uitputtend onderzoek naar de geschiedenis van de huizen en hun bewoners. In 1986 verscheen het eerste deel van deze studie naar zes eeuwen wooncultuur, onder redactie van Th.H. Lunsingh Scheurleer, C. Willemijn Fock en A.J. van Dissel. Dit project is nu voltooid. Het resultaat is een zesdelige studie in tien afleveringen, van meer dan vierduizend pagina's, waarin alles te vinden is wat je over deze gracht zou willen weten.

Van het Noordeinde tot het Academiegebouw is het Rapenburg in zes stukjes geknipt. Het gaat om vijfenzestig huizen in totaal; aan elk huis is gemiddeld zestig pagina's besteed. Ieder deel opent met een algemene beschouwing over een bepaald aspect: van de Leidse beeldsnijders tot het stucwerk, van de architectuur van het Hollands classicisme tot de portretschilders die in Leiden actief waren.

Het laatste deel, over Het Rijck van Pallas, is tegelijk het hoogtepunt. Het behandelt de geschiedenis van de huizen tussen de Doelen- en de Nonnensteeg. De voormalige kapel van de Witte Nonnen werd aan het eind van de zestiende eeuw het centrum van de universiteit, die ook op de nabijgelegen panden haar stempel drukte.

Van elk huis wordt niet alleen de geschiedenis van de bouw verteld, maar ook die van de bewoners. Juist op dit gedeelte van het Rapenburg woonde in de loop der eeuwen een aantal fervente kunstverzamelaars. Het is fascinerend om te zien hoeveel kunstwerken, die thans de trots van binnen- en buitenlandse musea uitmaken, ooit ergens op het Rapenburg hebben gehangen. Bovendien zijn bij ieder huis ook de overgeleverde inventarissen opgenomen, die niet alleen de topstukken vermelden, maar ook het linnengoed en het tuingereedschap.

Zo werd in 1447 de boedel van magister Jan die Rose verkocht. Hij woonde op Rapenburg 67 en had als secretaris aan het Hof van Holland een uitstekende positie. Toch heeft hij de laatste tien jaar van zijn leven zoveel schulden gemaakt, dat zijn spullen meteen na zijn dood onder de hamer kwamen. De veiling duurde drie dagen en alles werd nauwkeurig opgetekend. Daardoor weten wij precies wat hij in huis had, en wie het kocht. Margriet van Zonnevelt ging met 9 ellen tafellaken naar huis, Jacop die Goedertieren sleepte onder meer 1 Pruysch contoir in de wacht. En Clais Clais Willemszz. wist zelfs de hand te leggen op 1 waterclock!

Gemêleerd

Willemijn Fock, de Leidse hoogleraar kunstnijverheid die de laatste tien jaar de leiding had over dit project, vindt die inventaris een van de grootste verrassingen die het onderzoek heeft opgeleverd. Ze wijst erop, dat zulke gegevens voor verschillende doeleinden te gebruiken zijn. Zo komen er de laatste jaren regelmatig studenten uit het buitenland, die willen weten waar bepaalde schilderijen hebben gehangen, en wat de achtergrond van de eigenaar was.

Zijn er elders in de wereld vergelijkbare projecten geweest? Fock: “In Parijs zijn een paar grote straten bestudeerd. Maar daar heeft men zich beperkt tot de belangrijkste gebouwen. En bovendien is daar geen documentatie aan toegevoegd. In Amsterdam is de Herengracht in één groot boek in kaart gebracht. Daar ging het vooral om de gegoede burgerij, terwijl de bevolking van het Rapenburg veel meer gem^eleerd was.”

Hoe is er tot dusver op de reeds verschenen delen gereageerd? “Ze worden niet alleen door kunsthistorici gebruikt. Bovendien blijkt er een groot aantal fans van het Rapenburg te zijn, die ook de inventarissen met plezier lezen. "Leken' vinden het enig. Met een beetje fantasie wordt het allemaal heel beeldend. Het gaat er dan niet alleen om of er een Jan van Goyen aan de muur heeft gehangen, maar ook om de damasten servetten en het keukengerei.”

In dit laatste deel wordt niet alleen veel aandacht besteed aan het Academiegebouw, maar ook aan Rapenburg 65, waar nu het Prentenkabinet van de universiteit is gevestigd. Alleen in dat huis al hebben in de loop der tijden maar liefst acht kunstverzamelaars gewoond, die allemaal een interessante collectie bijeen brachten. Van de schilderijen die er ooit gehangen hebben, is wanneer mogelijk steeds een afbeelding opgenomen. Kneppelhout schreef er zijn Studententypen. Van 1928 tot 1973 was het het clubgebouw van de VVSL (Vereniging van Vrouwelijke Studenten te Leiden), met een onderbreking tijdens de oorlog, toen de Duitsers het huis gevorderd hadden als Ortskommandantur. Alleen de beschrijving van dit pand neemt al bijna tweehonderdvijftig pagina's in beslag.

Lusthof

Een van de verzamelaars van nummer 65 was de lakenhandelaar en mecenas Pieter de la Court van der Voort, die er in 1700 kwam wonen. Hij bezat niet alleen schilderijen van Jan Brueghel, Rubens, Ruysdael, Gerard Dou en Jan Steen, maar ook het poppenhuis van Petronella Dunois uit 1676, dat nu in het Rijksmuseum te zien is. Bovendien was hij een verwoed tuinliefhebber, die van zijn tuin een lusthof maakte. Na een bezoek aan Versailles gaf hij in 1702 aan de Leidse schilder en beeldhouwer Willem van Mieris opdracht om vier manshoge tuinvazen te vervaardigen, die de vier jaargetijden moesten verbeelden. De la Court was er heel blij mee, en liet een nauwkeurige beschrijving na.

Ze werden in 1824 geveild. Waar ze gebleven waren was niet precies bekend, maar in de jaren zeventig bleek dat zich in de tuin van Windsor Castle vier door Van Mieris gesigneerde tuinvazen bevonden. Willemijn Fock ging erheen en kon tot haar vreugde vaststellen, dat dit de bewuste vazen waren. De recente brand op Windsor Castle liet ze gelukkig ongemoeid.

Het is een fascinerende gedachte dat in die Engelse paleistuin nu vier kunstwerken staan, die in de veilingcatalogus van 1824 al werden omschreven als "bel ensemble très convenable pour orner un Palais'. Want voor een tuin achter het Rapenburg waren ze toch eigenlijk een paar maten te groot.

Zo valt er over elk huis nog wel meer te vertellen. Je zou het niet zeggen, maar lang niet alle gegevens die beschikbaar waren, konden worden opgenomen. Met de rijkdom aan materiaal die thans gepubliceerd is, kunnen onderzoekers en belangstellenden nog lange tijd voort. Tegelijk met dit laatste deel verscheen bovendien een handzaam personenregister op alle delen, zodat nu niet alleen zes eeuwen wooncultuur aan het Rapenburg in kaart is gebracht, maar ook het monumentale boekwerk zelf ontsloten is.

    • Peter van Zonneveld