Veel judoka’s gaan ver in hun strijd met het gewicht

Judoka’s die aan wedstrijden meedoen, leveren buiten de tatami vaak hun hardste gevecht: de strijd tegen hun gewicht. Ongeveer driekwart van de judoka’s probeert met het oog op een toernooi ‘gewicht te maken’ zoals het afvallen in deze sport wordt genoemd. Bij de meesten gebeurt dat op een vrij onschuldige manier: gewoon minder eten, meer verbranden en meer zweten. Hardlopen in een vuilniszak met daaronder dikke kleding is een bekende strategie. Maar een kleine minderheid verlaat zich tot extremere middelen. Met geforceerd braken (4 procent) en laxeermiddelen (8,3).

Sportarts en oud-judoka Jessica Gal en sportpsycholoog Karin de Bruin schetsen de cultuur van het afvallen in het judo in een onderzoek dat zij de afgelopen twee jaar hebben uitgevoerd in samenwerking met sportkoepel NOC*NSF. Het onderzoek is gebaseerd op literatuurstudie en een enquête onder ruim vierhonderd judoka’s, zowel topsporters als recreanten.

In het judo is afvallen vaak voorwaarde voor sportief succes. Bij wedstrijden zijn de deelnemers ingedeeld in gewichtsklassen, van laag naar hoog. Judoka’s denken meer kans te maken als zij in een lichtere klasse strijden die onder hun normale gewicht ligt. Dat gaat tegelijk gepaard met angst om door te gaan naar een hogere gewichtsklasse. Volgens Gal wordt het afvalgedrag „met de paplepel ingegoten”. De gemiddelde leeftijd waarop wordt begonnen met afvallen is dertien jaar, maar een enkeling begint al op zesjarige leeftijd . „Je hebt te maken met een sterke sociale norm, het wordt soms ook nog gestimuleerd door ouders en begeleiders”, zei Gal al eerder tegen sportplatform Sport Knowhow. Judoka’s vallen geregeld tussen de 2 en 3,1 procent van hun gewicht af, soms zelfs tien procent. Dat kan leiden tot groeistoornissen, blessures, eetproblemen en depressies. Gal en De Bruin pleiten voor betere voorlichting, begeleid afvallen en het stimuleren tijdig naar een hogere gewichtsklasse door te groeien.