Jongens worstelen met hun ‘mannenprobleem’

Meisjes doen het na de lagere school beter dan jongens. Misschien omdat ze netter en gehoorzamer zijn?

Jongens presteren na de lagere school gemiddeld minder goed dan verwacht op grond van hun Cito-score, meisjes juist beter. En dat geldt vooral voor jongens met laagopgeleide ouders, blijkt uit onderzoek dat het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) gisteren presenteerde.

De invloed van ouders op de opleiding van de kinderen blijkt sowieso groot: van de verschillen in schoolprestaties tussen kinderen wordt 42 procent verklaard door verschillen tussen ouderlijke milieus. Die totale gezinsinvloed wordt maar voor eenderde bepaald door het opleidingsniveau van de ouders, het gezinsinkomen en de herkomst van de ouders.

1 Waar wordt die gezinsinvloed dan verder door bepaald?

Door iets dat je waarschijnlijk het best de cultuur in een gezin kan noemen, zegt hoofddemograaf Jan Latten van het CBS. En die bestaat uit elementen die moeilijk apart te meten zijn, en in in dit onderzoek is dat indirect gebeurd. „Concrete variabelen als opleidingsniveau en inkomen van de ouders zijn goed te meten. Maar niet of in een gezin bijvoorbeeld de nadruk ligt op genieten of presteren. Of er boeken in huis zijn en eerst het huiswerk afmoet, voordat er buiten gespeeld mag worden. Welke waarden de kinderen worden bijgebracht.”

2 Hoeveel slechter dan verwacht doen jongens het in het middelbaar onderwijs?

Behoorlijk veel slechter. De verwachting in de emancipatiebeweging van eind vorige eeuw was dat jongens en meisjes het even goed zouden gaan doen. Op de basisschool is dat ook zo, blijkt uit de CBS-cijfers. Maar drie jaar later volgt 24 procent van de jongens een lager onderwijstype, terwijl 30 procent van de meisjes een hoger soort onderwijs volgt.

3 Waarom zijn jongens slechter op de middelbare school?

Dat is een moeilijke vraag. Het is wel een uitkomst die we inmiddels verwachten, zegt onderwijssocioloog Jaap Dronkers. 40 jaar geleden gold het omgekeerde. Toen deden meisjes het slechter op school dan je op grond van hun talenten zou verwachten. Daarbij speelde de verwachting van de omgeving een rol: meisjes hoefden niet zo nodig goed te zijn op school, ze gingen toch trouwen.”

De invloed van het gezin is het grootst op wat de vroege prestaties worden genoemd: hoe goed kinderen het doen op de lagere school. Hoe kinderen het daarna doen, ligt meer aan henzelf en wat hun overkomt. Het milieu weegt dan vooral mee als het op school niet goed loopt, zegt Dronkers. En dat geldt vooral als de ouders laagopgeleid zijn. En meisjes doen het nu eenmaal systematisch beter op school, zegt Dronkers. „Die zijn netter, gehoorzamer, degelijker.”

4 Is er een mannenprobleem?

„Dat is internationaal een erkend probleem. In post-industriële samenlevingen is er meer vraag naar kwaliteiten die meisjes van nature iets meer hebben”, zegt Dronkers. Zeker in de lagere opleidingsniveaus. „Er is minder behoefte aan stoere mannendiensten. Je kunt niet meer tegen jongens zeggen: ga maar ploegen, ga maar naar zee, of naar Indië.”

„Klopt”, zegt demograaf Jan Latten. „Hoogopgeleide vaders hebben doorgaans hun weg in de postindustriële samenleving al gevonden, die bieden zo een concreet voorbeeld voor hun zonen. Maar laagopgeleide vaders worstelen wellicht zelf ook nog meer met hun mannenrol in de hedendaagse samenleving.”