Ineens bombarderen Arabische landen mee

President Obama kan met de deelname van Arabische landen aan luchtacties anderen overhalen zich bij de coalitie aan te sluiten.

De onverwachte deelname van vijf Arabische landen aan de luchtaanvallen in Syrië is een belangrijke zege voor de Amerikaanse president Barack Obama. Het heeft de teneur van zijn missie tijdens de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties veranderd. Nu kan hij hun deelname gebruiken om andere terughoudende landen over te halen zich aan te sluiten bij de coalitie tegen de Islamitische Staat.

„De kracht van deze coalitie maakt de wereld duidelijk dat dit geen gevecht is dat Amerika alleen voert”, zei Obama in de tuin van het Witte Huis, waarna hij in de presidentshelikopter stapte. „Bovenal verwerpen de mensen en regeringen van het Midden-Oosten de Islamitische Staat.”

De president is duidelijk van toon veranderd. Hij zei eerder dat het van cruciaal belang is dat landen in de regio betrokken zijn bij de strijd tegen IS. Maar die stonden bepaald niet te trappelen. Dus klonk hij voorafgaand aan de Algemene Vergadering defensief over de mogelijkheden een coalitie te smeden. De verwachting was dat hij deze week in New York zou verschijnen zonder duidelijke toezeggingen wat landen zouden bijdragen aan de strijd tegen IS.

De Amerikanen zijn er pas de afgelopen dagen in geslaagd om de Arabische landen over te halen deel te nemen aan de luchtaanvallen in Syrië, zeiden hoge Amerikaanse regeringsfunctionarissen tegen persbureau AP. Minister van Buitenlandse Zaken John Kerry had een hele reeks ontmoetingen met bondgenoten in de regio en president Obama belde met de koningen van Saoedi-Arabië en Jordanië.

Saoedi-Arabië, Bahrein, Jordanië en de Verenigde Arabische Emiraten hebben allen deelgenomen aan de luchtoperatie boven Syrië. Qatar vervulde alleen een ondersteunende rol. De Saoedische minister van Buitenlandse Zaken prins Saud al-Faisal zei in New York: „We hebben te maken met een zeer gevaarlijke situatie, waarbij terrorisme is uitgegroeid van cellen tot legers.”

Toch is de militaire bijdrage van de Arabische landen veel kleiner dan president Obama doet voorkomen. Het Pentagon gaf toe dat de overgrote meerderheid van de luchtaanvallen zijn uitgevoerd door de Amerikaanse luchtmacht.

Het is opmerkelijk dat de Golfstaten hun onderlinge conflicten even terzijde hebben gelegd om zich gezamenlijk achter de Amerikanen te scharen. Saoedi-Arabië, Bahrein en de Emiraten zijn al jaren in een hoogoplopende ruzie verwikkeld met Qatar en Turkije over de rol van de Moslimbroederschap in de regio. Turkije en Qatar steunen de Moslimbroederschap, terwijl de overige Golfstaten de oppositiebeweging vrezen en keihard onderdrukken.

Deze breuklijnen zie je ook terug in Syrië, waar verschillende landen verschillende rebellenbewegingen hebben ondersteund. Terwijl Turkije de ‘gematigde’ rebellen van het Vrije Syrische Leger onderdak geeft, kiest Saoedi-Arabië voor het radicalere Islamitische Front. Qatar steunt dan weer rebellengroepen die zijn verbonden aan de Syrische Moslimbroederschap en zou banden hebben met Jabhat al-Nusra, de Syrische tak van Al-Qaeda. Dit alles heeft de versplintering van het verzet tegen president Assad in de hand gewerkt.

Stilzwijgende steun Syrië

De luchtaanvallen in Syrië lijken te zijn uitgevoerd met stilzwijgende toestemming van het Syrische regime. Het regime was vooraf ingelicht en verklaarde naderhand bereid te zijn om aan „iedere internationale inspanning” tegen terrorisme mee te werken. Een functionaris van het Pentagon zei dat met uitzondering van de beschietingen met Tomahawk-raketten alle aanvallen zijn uitgevoerd vanuit het Syrische luchtruim. Het is onduidelijk of het Amerikaanse leger de Syrische radar heeft geblokkeerd. Generaal Mayville zei dat de Syrische luchtverdediging „passief” was tijdens de aanvallen.

De Arabische deelname aan de luchtaanvallen kan andere landen ertoe brengen ook over de brug te komen. Europese landen zien dat het niet gaat om een puur westerse operatie. Het Pentagon zei gisteren dat de VS de steun hebben van meer dan vijftig landen voor de bredere strijd tegen de IS, zoals het trainen en bewapenen van het Iraakse leger en de Syrische rebellen, het blokkeren van geldstromen naar IS, en het tegenhouden van buitenlandse strijders die afreizen naar Syrië. Maar weinig landen hebben concrete toezeggingen gedaan.

Turkse positie verandert

Vooral van belang is de deelname van Turkije, een belangrijke Amerikaanse bondgenoot en een NAVO-lid, dat een lange grens deelt met Syrië. Tot dusverre had de Turkse regering zich echter niet bij de coalitie aangesloten, omdat IS 49 Turkse gijzelaars in handen had, onder wie diplomaten en hun familie. Maar sinds de gijzelaars afgelopen weekend plotseling zijn vrijgekomen, lijkt de Turkse positie te veranderen.

De Turkse president Recep Tayyip Erdogan, ook in New York voor de Algemene Vergadering van de VN, zei gisteren dat hij overweegt een militaire bijdrage te leveren aan de strijd tegen IS, die hij voor het eerst volmondig terroristen noemde. „Natuurlijk zullen we ons deel doen”, zei Erdogan volgens het Turkse persbureau DHA. Ook de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken John Kerry zei dat hij verwacht dat Turkije een grotere rol gaat spelen.

Vandaag voerden de VS en hun bondgenoten opnieuw luchtaanvallen uit in Syrië. Dit maal op doelen rond de Koerdische stad Kobane, vlakbij Turkije, die wordt belegerd door IS. Ruim 130.000 Syrische Koerden zijn de afgelopen dagen naar Turkije gevlucht. Volgens de VS zijn deze luchtaanvallen nog maar het begin. Ze verwachten dat de strijd tegen IS jaren gaat duren.