Havenbedrijf wint rechtszaak ECT over Tweede Maasvlakte

Op de Tweede Maasvlakte is geen sprake van oneerlijke concurrentie, oordeelde de rechtbank vanochtend.

Het Havenbedrijf Rotterdam heeft zich niet schuldig gemaakt aan concurrentievervalsing bij het ontwikkelen van de Tweede Maasvlakte. Twee grote containerterminals zijn op correcte wijze toegewezen aan de overslagconcerns RWG en APM.

Dat heeft de rechtbank Rotterdam vanochtend bepaald. Containeroverslagbedrijf ECT was een rechtszaak begonnen tegen het Havenbedrijf omdat het bedrijf zich benadeeld voelt bij de uitgifte van de nieuwe terminals. RWG en APM zouden zijn bevoordeeld met gunstige voorwaarden.

ECT vreest overcapaciteit door snelle groei van de Tweede Maasvlakte, met als gevolg miljarden aan schade en fors banenverlies. ECT-directeur Jan Westerhoud sprak eerder van kannibalisering, want „de Tweede Maasvlakte eet de Eerste op”.

De rechtbank oordeelt nu dat het Havenbedrijf geen misbruik heeft gemaakt van een economische machtspositie. Concurrentie tussen de containeroverslagbedrijven is in het belang van de Rotterdamse haven als geheel. Dat er tijdelijk sprake zal zijn van overcapaciteit is onvermijdelijk. Volgens de rechtbank heeft het Havenbedrijf geen toezeggingen gedaan aan ECT die geschonden zijn. Ook verschillen de voorwaarden voor ECT niet van die van de concurrenten.

ECT, eigendom van Hutchison Whampoa Limited uit Hongkong, heeft twee terminals op de Eerste Maasvlakte, Delta en Euromax. ECT is een grote partij in de Rotterdamse haven: van de 11,6 miljoen TEU (Twenty feet Equivalent Unit, de omvang van een 6,1 meter-container) werd 7,4 miljoen TEU overgeslagen door ECT.

De concurrenten van ECT op de Tweede Maasvlakte zijn Rotterdam World Gateway (RWG), een consortium van vijf bedrijven uit Dubai, Japan, Zuid-Korea, Singapore en Frankrijk. De ander is APM Terminals, een dochteronderneming van de Deense multinational AP Møller-Maersk.