Voor Jan de Quay was het een martelgang om minister-president te zijn

De Quay in 1983. Foto ANP

Onder Jan de Quay is Nederland van 1959 tot 1963 geregeerd door een minister-president die zijn baan een verschrikking vond. Op de eerste verjaardag van zijn kabinet schreef hij in zijn dagboek: „Blij dat er een jaar opzit. Nog drie? Ik hoop van niet. Toch proberen.”

Toen een half jaar later een kabinetscrisis uitbrak, noteerde De Quay: „Innerlijk overgelukkig en dankbaar, dat ik er vanaf ben. God zij geloofd en gedankt.” Hij juichte te vroeg, want de breuk in het kabinet bleek gelijmd te worden. Zijn kabinet zat de volle vier jaar uit.

De martelgang van De Quay staat beschreven in de vanmiddag gepresenteerde biografie van de in 1985 overleden politicus van de Katholieke Volkspartij (KVP), de partij die in 1977 opging in het CDA. Biograaf Cees Meijer had de beschikking over de dagboekaantekeningen die De Quay bijna dagelijks maakte. Daarin ventileerde hij diverse keren twijfels over zijn eigen functioneren. „Ik hou me naar buiten recht, terwijl ik van binnen bijna breek, soms”, schreef hij.

De Quay wilde helemaal niet naar de Haagse politiek verhuizen toen de leider van de KVP, Carl Romme, hem in 1959 verzocht zich beschikbaar te stellen. Hij was commissaris van de koningin in Noord-Brabant en vond dat er betere kandidaten waren dan hij zelf. Maar toen ook koningin Juliana een beroep op hem deed, wist hij dat verder verzet geen zin had. In zijn dagboek schreef hij: „Ja hoor, zaterdag naar Hare Majesteit. En morgen gesprek met [interim-premier] Beel. Ga maar voort. Mijn lot is nu wel beslist.”

De tweede helft van de kabinetsperiode ging hem beter af, maar de innerlijke weerzin tegen het ambt bleef. Toen bij de formatie van 1963 eindelijk zeker was dat hij niet zou terugkeren, liep hij bijna zingend over het Haagse Voorhout. „Het leek wel Bevrijdingsdag”, zei De Quays vrouw Maria later.