Column

André Hazes kende camp noch ironie

‘Dit is André Hazes. Voor betaling wordt zorggedragen. Hij moet naar...” en dan volgde het adres in Vinkeveen waar de zanger een villa bewoonde met Rachel, zijn derde vrouw, en hun twee kinderen. Rachel gaf het briefje aan de gastvrouw van een feestje ter ere van Hazes. Zelf ging ze eerder naar huis, en vroeg de gastvrouw om dat briefje aan de taxichauffeur te geven, zodat deze wist waar hij zijn nachtelijke, laveloze passagier kon afleveren.

Een lekkere jongen was hij niet, de tien jaar geleden gestorven volkszanger. Hij had één groot talent, waarvoor je hem alles moet vergeven: hij kon leed – of eigenlijk zijn eigen psychisch lijden – hartverscheurend uitzingen. Zonder gekunsteldheid, eerlijk, ongefilterd. Het is makkelijk ironiseren over primitieve teksten als Eenzame Kerst, Voor mij geen slingers aan de wand of De Vlieger. Maar van belang is de verpletterende treurnis in zijn vertolking, die je verder alleen terugvindt bij Amerikaanse blueszangers uit de jaren vijftig, die dan meestal door armoede of tbc aan hun eind zijn gekomen.

André Hazes was niet arm – niet in geld en niet aan mensen die hem ter wille wilden zijn. Maar zijn sociale omgeving leek hem maar matig te interesseren. Toen zijn publiek zich in de jaren negentig verbreedde van de autochtone onderkant van de samenleving naar de middenklasse, die in hem een soort camp wilde zien, ontging hem dat eigenlijk. Camp veronderstelt een dubbele bodem, of ironie. Hazes kende geen van beide.

Hij verstond zijn vak. Ik heb hem in de Rotterdamse Ahoy-hallen duizenden die al voor aanvang joelden en zongen en aangeschoten waren, volkomen plat zien zingen, zodat ze zwaar onder de indruk naar huis gingen. Voor het bedwingen van zijn persoonlijk leed, het grauwe beest van het bestaan, ontbrak hem echter elke vaardigheid. Daar hielpen alleen die talloze trays met blikjes bier, die hem op 53-jarige leeftijd medisch de das omdeden.

Boeken over Hazes verschijnen steeds bij niet-reguliere uitgeverijen en zijn gedrukt in ongewone lettertypes. Zij komen namelijk voort uit de ruime kennissen- en familiekring van de zanger, die steevast meent dat hun boek een goudmijn wordt en het dus zonde is geld af te dragen aan een kundige uitgeverij. Het net verschenen André Hazes & ik van Jos van Zoelen is geen uitzondering: 370 pagina’s oncontroleerbare, ongeordende anekdotes, goeddeels onbegrijpelijk voor wie Hazes’ leven en de vele ruzies daaromheen al niet kende. De verdienste van het boek is hoogstens dat het weinig heel laat van de gepolijste, ‘beschaafde’ versie van Hazes’ leven die nu als musical, en straks als speelfilm te zien is.

Het ontbreken van een serieuze monografie over Hazes hangt, vrees ik, samen met de sociale groep waaruit de zanger en zijn kunst voortkwamen. Als white trash of ‘tokkies’ beschimpt, uit het centrum van de grote steden weggewerkt, wordt de autochtone onderklasse in het sterk verburgerlijkte Nederland vaak liever een beetje buiten beeld gehouden.