‘Woede vind ik verrukkelijk!’

Diana Damrau, wereldberoemd om haar goudachtige stem, maakt vanavond Nederlands debuut

Foto Hollandse Hoogte

Toen ze drie was, zong en danste ze op Griegs Peer Gynt. „Laat ik eens een operastem opzetten”, dacht de peuter, betoverd door het drama van de muziek. Negen jaar later stuitte ze zappend op de kostuumverfilming van Verdi’s La traviata door Franco Zeffirelli (1983). Volgens vaak aangehaalde overlevering werd haar carrière als operazangeres daar, in de Zuid-Duitse woonkamer, beklonken. Op YouTube circuleren nog regionale journaalfilmpjes van een piepjonge Diana Damrau – zingend met ongeschoolde puberstem en charmante, Beierse tongpunt-r. Maar al bij haar podiumdebuut in My Fair Lady, enkele jaren later, hoor je een heel ander geluid: vol, hoog, sprankelend.

In Nederland bezit Diana Damrau (43) als operasopraan misschien net niet de bekendheid van een Renée Fleming, Angela Gheorghiu of Anna Netrebko, maar met haar verdiensten heeft dat niets te maken. Ze zingt aan de grootste operahuizen (Londen, Wenen, New York). Maar haar Nederlands debuut maakt ze door toeval pas nu, „eindelijk!”, zoals ze zelf zegt aan de telefoon vanuit Parijs.

Het is onmogelijk om niet door de stem van Damrau betoverd te worden. Door haar trefzeker kolkende furie als Koningin van de Nacht in Mozarts Zauberflöte natuurlijk (haar meest frequent gezongen, inmiddels verlaten rol), maar minstens net zozeer door haar cd Poesie met liederen van Liszt en de geweldige jongste cd Forever, vol schmalzig musical- en operetterepertoire – waarin Damrau door de koninklijke straalkracht en majestueuze volheid van haar stem toch tot een stiekem walsje tussen de schuifdeuren verleidt.

„Die laatste cd was een uitgesproken wens van me”, lacht Damrau met haar galmende kloklach . „De platenmaatschappij wilde eerst dat ik me tot operette zou beperken, maar ik houd ook van de musical – als Eliza Doolittle ben ik begonnen, tenslotte. Bovendien bereik je met een mix een breder publiek. Opmerkelijk is wel dat het bijna een trend is, zo’n musical- en operette-cd. Tenor Piotr Beczala, met wie ik dinsdag zing, maakte er ook net één, net als tenor Jonas Kaufmann. Het taboe is er blijkbaar vanaf. Aan operahuizen niet – daar regeren regisseurs die hun neus ophalen voor de dramaturgische trivialiteit van operette. Maar zangers vinden het heerlijke muziek, die direct tot het hart spreekt. Niet makkelijk om te zingen overigens. Soms is wat ik zing heel licht soubretterepertoire, maar andere aria’s eisen echt een groot bereik en doen een groot beroep op je techniek.”

In het Concertgebouw zingt Damrau vanavond een programma met aria’s en ensembles van Verdi, Gounod en Massenet – samen met tenor Beczala en haar man, bas-bariton Nicolas Testé, met wie ze twee zoontjes heeft en zo veel mogelijk samenwerkt. „Uit praktische én artistieke overwegingen”, zegt ze. „We kennen elkaar van het podium – in Don Giovanni is onze liefde ontstaan. Ik houd heel erg van zijn stem, van zijn manier van acteren – het is echt leuk als je oprechte bewondering voelt voor wat je man doet. Alleen duetten zijn voor onze stemtypes zeldzaam. Hooguit als priester met jong meisje, haha.”

Over meisjes gesproken – voor rollen als Richard Strauss’ Zerbinetta of Sofie voelt Damrau zich inmiddels te oud. „Zulke lichtere rollen gaan ook niet samen met wat ik nu verder zing: Lucia di lammermoor of Violetta in La traviata. Dat wordt een vocale salto mortale. Sowieso maximeer ik mijn agenda op zo’n 60 voorstellingen per jaar, als ik reis nog minder. Het fijnst vind ik het liedavonden te zingen tussen de opera’s door. Elk lied dwingt je er een miniatuurtje van te maken en je kunt er in het klein nieuwe dingen uitproberen. Het allerliefst zing ik dan Franse liederen. Ik ben onherstelbaar francofiel, al sinds mijn jeugd.”

De lichtheid van de Franse mélodie duidt overigens niet ook op een voorkeur voor lichte opera. „Nee”, zegt ze, „komische opera’s van Rossini bijvoorbeeld – daar ben ik helemaal niet zo van. Ik vind Donizetti en Bellini interessanter. Kleurrijker, gelaagder. Zo’n Maria Stuarda van Donizetti, de furie en de woede van zo’n rol vind ik verrukkelijk om te spelen, de dramatiek ook.”

Toekomstdromen? „Pfft, je weet nooit hoe een stem zich precies ontwikkelt. De Marschallin in Strauss’ Der Rosenkavalier zou ik dolgraag ooit zingen. Puccini’s Tosca – niets liever! Maar je moet realistisch zijn. Al is ook mijn stem wel gerijpt met de jaren, Callas of Sutherland word ik nooit.”