Wetsvoorstel voor bronbescherming

Het kabinet wil dat journalisten zich voortaan kunnen beroepen op het recht op bronbescherming. Minister Opstelten (Veiligheid en Justitie, VVD) heeft hiervoor een wetsvoorstel ingediend bij de Tweede Kamer. Journalisten krijgen echter geen volledig verschoningsrecht.

Journalisten hoeven volgens het voorstel als getuigen in een strafzaken niet meer te onthullen wie hun anonieme bronnen zijn, tenzij de rechter daartoe zwaarwegender redenen ziet. Wanneer inlichtingendiensten bijzondere middelen willen inzetten om de bronnen toch te achterhalen, dan moeten ze dit eerst door de rechter laten toetsen. Opstelten wil hiervoor het Wetboek van Strafvordering en de Wet op de inlichtingen– en veiligheidsdiensten (Wiv) aanpassen.

Het voorstel komt nadat Nederland herhaaldelijk op de vingers is getikt door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg. In 2012 veroordeelde het Hof de behandeling van Telegraaf-verslaggevers Joost de Haas en Bart Mos, die in een strafzaak gegijzeld werden omdat ze hun bronnen niet wilden noemen.

De Raad van State vindt dat Opstelten is niet duidelijk is over degenen die er gebruik van mogen maken. De wijziging van de Wiv geldt alleen voor „journalisten”, omschreven als mensen die dit als hoofdberoep hebben. Het andere wetsvoorstel – bronbescherming in strafzaken – is echter veel ruimer. Dat geldt voor „journalisten en publicisten”. Die laatsten worden omschreven als mensen die zich in het publieke debat doen gelden; niet per se als betaalde journalisten. De Raad vindt dit van belang omdat hier een groep burgers een „privilege” krijgt dat voor andere burgers niet geldt.