Lees hier een fragment uit ‘de geestigste roman van 2014’

Met Kees ’t Harts tiende roman Teatro Olimpico is de geestigste roman van 2014 verschenen. In de roman doen twee theatermakers verslag van een financieel rampzalig verlopen buitenlands avontuur.

De artistieke eigendunk en grenzeloze wereldvreemdheid van die theatermakers, die met hun voorstelling over de Franse filosoof Jean-Jacques Rousseau zijn uitgenodigd om in het legendarische Teatro Olimpico in Vicenza te komen spelen, vormen samen de stuwende kracht achter deze roman, schrijft boekenredacteur Arjen Fortuin:

‘Deze roman kun je lezen als een klucht, waarin je medelijden zou moeten hebben met de antihelden, maar waarin het net te leuk is om ze nóg een keer de neus te zien stoten (en dan nog een keer). Maar het is méér dan de Dikke en de Dunne: Teatro Olimpico is ook een satire op het autisme van modern Hollands theatervolk.’

In een interview met Sebastiaan Kort zegt Kees ’t Hart zijn roman te zien als ‘een soort clownsnummer’:

‘Maar tegelijkertijd hoop ik dat het ook ernstig is. Dit zijn twee jonge mannen [slaat drie maal met de hand op tafel] Die Iets Willen! Ze zetten zich af tegen een theatertraditie en hun theaterstuk moet en zal in dat schitterende Teatro Olimpico in Vicenza opgevoerd worden.’

De roman mocht volgens ’t Hart niet té grappig worden:

“Ik heb telkens lappen tekst aan mijn vrouw laten lezen met de vraag of het niet te grappig werd, want dat mocht niet. Er wordt bijvoorbeeld in de roman vaak op het toneelwerk van Beckett afgegeven, maar te veel was niet goed, dan werd het te leuk. Want Hein en Kees bedoelen het allemaal zeer serieus. Al hoef je hen ook weer niet al te ernstig te nemen. Het zijn ook tragische figuren.”

Opening uit Teatro Olimpico van Kees ’t Hart, p. 9-12

De verlegenen
Ruim twee jaar geleden, op 20 augustus, maakte ik na onze Rousseau-voorstelling in het Theater aan het Spui in Den Haag kennis met Jim Staborowsky. Hij stelde zich in het Engels een beetje lacherig voor als een Rousseau-kenner en vertelde dat hij contacten had met theatermakers in Italië. Zijn vriendin was ‘intendante’ van een belangrijk theater in Vicenza, het Teatro Olimpico. Hij vond onze voorstelling interessant en ontroerend, de slotscène indrukwekkend en de mise-en-scène origineel. Hij complimenteerde ons vooral met het beeld van Rousseau dat we gaven. Dat sloot volgens hem aan bij actuele theateropvattingen in Italië.
Ik bood hem een biertje aan.
We zouden meer van hem horen, zei hij, hij moest eerst zijn contacten raadplegen. Volgens hem was de connectie van Rousseau met Italië erg interessant, daar was nog weinig aandacht aan besteed. Hij zou later in het jaar contact met ons opnemen, het kon nog even duren. Ik had zijn voornaam niet goed verstaan, die was niet wat je noemt Italiaans, net zomin als zijn achternaam. Ik vroeg hem zijn volledige naam op een bierviltje te schrijven.
Zijn voornaam sprak hij uit als Dzjiem.

Veel later hoorde ik dat zijn moeder uit Vicenza kwam en zijn vader een nazaat was van oude Poolse landadel die al meer dan tweehonderd jaar in Italië woont. Hij vertelde me dat een van zijn voorvaders Casanova heeft gekend en in diens autobiografie voorkomt.

Misschien interesseert u zich niet erg voor dit soort details, maar ze zijn van belang om de context van onze wederwaardigheden in Italië te begrijpen. Bovendien verzocht u enkele weken geleden in uw brief om een ‘gedetailleerd verslag, zodat de beoordelingscommissie een gedegen beeld kan krijgen van de situatie’.

Ik wist dat Rousseau in Venetië als secretaris had gediend bij een Franse diplomaat. Dit was niet een van de gunstigste episodes uit zijn leven, om het maar voorzichtig te zeggen. Hij zet zichzelf in Bekentenissen neer als een soort spion in Franse dienst, maar u moet zich hier niet te veel van voorstellen. Rousseau had de neiging zijn leven mooier en interessanter voor te stellen dan het was. Waarschijnlijk was hij in werkelijkheid een loopjongen van de tweede secretaris en mocht hij weleens brieven rondbrengen. Zie over feit en fictie bij Rousseau onder andere de biografie van Leo Damrosch (2005). Rousseau liet zich snel meeslepen door zijn ongebreidelde fantasie. Secretaris! Spionage! Belangrijke berichten!
Veel vertrouwen had ik niet in verdere contacten met Jim, hij leek me iemand die uiteindelijk toch met allerlei vernederende opmerkingen zou komen aanzetten over de belichting en het speelplan van Rousseau. Ook Hein zag weinig in hem, eerlijk gezegd vonden we hem een warhoofd dat zich opdrong om interessant mee te kunnen praten. Hij deed zich belangrijker voor dan hij was, dachten we, maar we hielden alle mogelijkheden open. Je weet nooit hoe het loopt.
Dus namen we na een paar biertjes hartelijk afscheid. We wisselden adressen uit, ik kreeg ook zijn e-mailadres.

Eind september kregen we een uitnodiging om in Amsterdam in een kleine zaal van theater De Brakke Grond, er was daar een Italiaanse week, een voorstelling bij te wonen van het toneelstuk I Timidi (De verlegenen) in de regie van Viola Greppi.
Het was ontstaan ‘naar een idee van Jim Staborowsky’, zo stond het op de uitnodiging, het ‘script’ was van Doris Mandini en de dramaturgie van Alessandra Andrein.
Jim was ons dus niet vergeten.
We gingen erheen.
Het werd gespeeld door twee halfnaakte (af en toe helemaal naakte) acteurs, die eerst ongeveer een halfuur zwijgend in halfduister een aantal poses aannamen, daarna nog een minuut of tien over het schel verlichte toneel liepen en
elkaar met verf beschilderden. Dit alles begeleid door een geluidsband van heftig schreeuwende mannen en vrouwen. Later hoorden we dat een van de stemmen van filmmaker Pasolini was, een oude opname van een van zijn vroege theatrale acties.
Wij vonden het geen geslaagde voorstelling, omdat de invloed van het latere werk van Samuel Beckett en van de Socìetas Raffaello Sanzio te sterk was. En die van Artaud natuurlijk. Ook recent werk van Dave St-Pierre was te duidelijk zichtbaar. Het was een ratjetoe, men had geen keuzen durven maken. Alles berustte op verkeerde uitgangspunten. Would-be experimenteel theater. Te veel betekenisvolle stiltes, te grote woorden op de geluidsband (‘morte’, ‘vivere’, ‘conscienza’), te veel bedachte lagen waarmee samenhang werd gesuggereerd.
‘Eurotheater’, zoals Hein het noemde. Meedoentheater. Experimenteel theater van het verleden met opgeklopte woorden, grote emoties, lange halen, gauw thuis. De vanzelfsprekendheid droop ervan af. Een en al reflectie was
het, het gratuite engagement kreeg je er gratis bij geleverd, zeker in de slotscène, toen de acteurs zich door twee meisjes, kinderen nog, gekleed in Engelse kostschooljurkjes, Jodensterren op het lichaam lieten plakken.
Later hoorde ik dat dit de dochters waren van Nico Bianchi, de technische man van de groep. Had Jim dit bedacht?
We vonden het niet onwaarschijnlijk.

Kees ’t Hart, Teatro Olimpico, Querido, 196 pagina’s, € 18,99. Deze roman is op 9 september verschenen