In Turkije is de vijand van de vijand geen vriend

Het Turkse leger vecht al dertig jaar tegen de Koerdische organisatie PKK. Nu vechten ze beiden tegen de Islamitische Staat. Dat betekent niet dat de Turkse regering de Koerdische organisaties als neutraal beschouwt.

Koerden raken slaags met Turkse soldaten bij Suruc, bij de grens met Syrië, nadat de grens gesloten werd. Foto AFP / Bulent Kilic

Vrouwen, kinderen en bejaarden komen Turkije binnen via de tijdelijke grensopening waar ook de hulpverleners staan. Families met samengebonden matrassen op hun rug en grote potten ingemaakt eten wachten in het stof. Hun mannen en oudste zonen zorgen in de trailer van vluchtelingenorganisatie UNHCR voor registratie als vluchteling. Achter het hek, in thuisland Syrië, staan hun auto’s in slordige rijen geparkeerd.

Nadat ze hun families eenmaal veilig hebben afgeleverd in de Turkse stad Suruc, keren de mannen om. Ze proberen bij de officiële grensovergang Musred Tnar te komen, maar worden ontmoedigd door de gendarmerie, die alleen bestemmingsverkeer toestaat. Aan het grenshek staan maandagmiddag zo’n honderd mannen te dringen om terug te mogen. „Ik was alleen bang voor mijn gezin. Dat is nu veilig in Turkije. Ik wil terug. Ik heb koeien, paarden, schapen en auto’s achtergelaten en daar is nu al vier dagen niemand bij”, zegt Suheil Derwoish, een veertiger in een groene mannenjurk. Het hek blijft dicht.

Het Turkse beleid is ‘eenrichtingsverkeer’. Vluchtelingen mogen erin. Strijders mogen er niet uit. Turkije wil geen uitvalsbasis zijn voor Koerdische vrijwilligers, die banden hebben met de verboden Turks-Koerdische guerillabeweging PKK. Die organisatie heeft haar achterban opgeroepen te helpen bij de verdediging van Kobani. Daarvoor moeten ze wel eerst de grens over. Maar een open grens voor PKK’ers gaat Turkije te ver. De vijand van de vijand is in Turkije geen vriend. De dreiging van IS maakt de PKK en zijn Syrische zusje YPG niet tot neutrale organisaties. De strijd tussen het Turkse leger en de PKK duurt al dertig jaar en heeft aan zeker dertigduizend mensen het leven gekost.

Ze noemen ons terroristen

Op begrip voor die opstelling hoeft Turkije bij de Koerden in de grensstreek niet te rekenen. „Ons nu niet toestaan om tegen Da’esh (de Arabische benaming voor Islamitische Staat) te gaan vechten komt neer op het helpen van Da’esh”, zegt Ahmed Ibrahim, een lange, magere jongen die Handel studeert in Kobani. Hij sneert: „De Turken noemen ons terroristen, maar Da’esh niet.”

Tussen de gefrustreerde mannen aan de grens is het gemakkelijk te denken dat de Turkse staat, waar ze zojuist hun familieleden in veiligheid hebben gebracht, een grotere vijand is dan de jihadisten van Islamitische Staat. De overtuiging dat grote buur Turkije met IS onder een hoedje speelt zit er bij Koerden diep in.

Ruim een kilometer landinwaarts sjouwen Koerdische mannen met sjaals om hun hoofden rotsblokken de weg op, om de pantservoertuigen van het leger te hinderen. De militairen reageren met waterkanonnen en traangas. Een solidariteitsbetoging van gefrustreerde Koerden tegen het Turkse beleid leidt al twee dagen tot voortdurende botsingen met de politie en het leger.

Intussen verhalen de vluchtelingen over de zegetocht van IS. Dorp na dorp wordt ingenomen en geplunderd. Sommige huizen worden in brand gestoken. Politiek activisten van Koerdische partijen lopen rond in de vluchtelingencentra met handgeschreven lijstjes namen in hun kontzak. Als ze iemand spreken die namen kan geven van dorpen of van slachtoffers, noteren ze die in een poging overzicht te krijgen. De vluchtelingen zitten overal. In gehuurde kamers en bij familie, in een hal voor bruiloftsfeesten en in scholen en moskeeën. Volgens de Turkse overheid zijn er sinds eind vorige week 130.000 de grens overgekomen.

Wat er aan de andere kant van de grens gebeurt, is vrijwel niet te controleren. In de Syrische burgeroorlog vertrouwt geen van de strijdende partijen de informatie van de ander. Milities die het ene moment tegen elkaar vochten, sluiten het volgende moment een gelegenheidscoalitie en andersom.

Wakkerschudmoment

Nu fluisteren Turken en Arabische Syriërs achterdochtig dat het er veel van wegheeft dat de Syrische Koerden hun eigen ‘Sinjar-moment’ willen creëren. Begin augustus viel IS in buurland Irak onder meer yezidi’s aan en joeg ze het onherbergzame Sinjargebergte in. Strijders van de YPG en de PKK vervulden een heldenrol bij het redden van mensen. Sindsdien zijn er internationale wapendonaties voor de Koerden in Irak en lijkt de westerse wereld wakker te zijn geworden en de dreiging van IS in te zien.

Zo’n wakkerschudmoment is voor Syrië ook nog altijd nodig, vinden de opstandelingen, waaronder de Koerden. „Heb je over Sinjar gehoord?” vraagt Nizar Mustafa van de Koerdische Nationale Raad, een van de politieke organisaties van Koerden in Syrië. „Dat wil Da’esh nu ook in Kobani proberen. Ze willen mensen gevangen nemen, verkrachten, verkopen. De internationale coalitie moet niet alleen in Irak, maar ook in Syrië aanvallen.”

Op de plaatsen waar vluchtelingen worden opgevangen, vallen de overeenkomsten op met de eerste dagen van de humanitaire ramp in Sinjar. Opnieuw worden mensen opgevangen door Koerden in Turkije. Lokale hulpverleners klagen over de landelijke overheid, die de zorg voor de Koerdische vluchtelingen in hun ogen gemakzuchtig overlaat aan andere Koerden.

Maar de verschillen zijn minstens zo groot. Het Sinjargebergte was droog, heet, slecht begaanbaar en omsingeld. Op de berg zaten tienduizenden mensen klem die dreigden om te komen van de dorst.

De stad Kobani ligt pal op de grens met Turkije in gemakkelijk begaanbaar gebied. De grijze woonblokken zijn met het blote oog goed te zien tussen glooiende heuvels waar af en toe stof opwaait. Volgens de laatste berichten is IS de stad op ongeveer vijftien kilometer genaderd. Achtergebleven YPG en PKK-strijders hebben de opmars vooralsnog weten te stoppen. IS is sterker dan ooit en gebruikt tanks, vertellen angstige Koerden in Suruc. Maar wie wilde vluchten, is inmiddels weg.