‘Eindelijk zien de VS dat we in gevaar zijn’

Turkije houdt de grens gesloten voor Koerdische strijders die tegen IS willen vechten.

Nadat ze hun families hebben afgeleverd in de Turkse stad Suruc, keren de mannen weer om richting grens. Achter de hekken in de rode Syrische heuvels staan hun auto’s geparkeerd en lopen schapen rond. Auto’s en vee mogen niet mee naar binnen.

De Syrische Koerden willen terug om hun huizen en vee te beschermen tegen de jihadisten van Islamitische Staat. Bij de officiële grensovergang Musred Tnar staat maandagmiddag een man of honderd te dringen om weer Turkije uit te mogen.

„Ik was alleen bang voor mijn gezin, niet voor mezelf. Zij zijn nu veilig in Turkije. Ik wil terug. Ik heb koeien, paarden, schapen en auto’s achtergelaten. Daar is is nu al vier dagen niemand bij”, zegt Suheil Derwoish, een veertiger in een groene mannenjurk. Het hek blijft dicht.

Het Turkse beleid is ‘eenrichtingsverkeer’. Vluchtelingen zijn welkom. Op negen plaatsen zijn doorgangen in de grens gemaakt waar de vluchtelingenstroom zo goed mogelijk wordt gereguleerd. Ze worden geregistreerd in trailers van VN vluchtelingenorganisatie UNHCR en sommigen medisch onderzocht in een tent. Bussen brengen ze naar steden in de buurt waar inmiddels alle scholen, moskeeën, feestzalen en parken zijn gevuld met Syriërs. Particulieren stellen hun huizen ter beschikking of verhuren kamers voor 200 dollar per maand.

In sommige huizen worden zeven gezinnen tegelijk opgevangen. De UNHCR spreekt van de grootste instroom van Syriërs in zo’n korte tijd sinds het begin van de oorlog in 2011. Turken gaan uit van ten minste 200.000 nieuwkomers, bovenop de 1,3 miljoen die al in het land worden opgevangen.

Maar strijders mogen er niet uit. Turkije wil geen uitvalsbasis zijn voor Koerdische vrijwilligers, die banden hebben met de verboden Turks-Koerdische guerillabeweging PKK. De vijand van de vijand is in Turkije geen vriend. De dreiging van IS maakt de milities van de PKK en zijn Syrische zusje YPG niet opeens tot neutrale organisaties. De gewapende strijd tussen het Turks leger en de PKK duurt al dertig jaar en heeft aan minimaal dertigduizend mensen het leven gekost.

De PKK heeft haar achterban opgeroepen te helpen bij de verdediging van Kobani. Daarvoor moeten ze wel eerst de grens over. Maar een open grens voor PKK’ers gaat Turkije te ver.

Op begrip voor die opstelling hoeft Turkije bij de Koerden in de grensstreek niet te rekenen. Het wantrouwen is wederzijds. „Ons nu niet toestaan om tegen Da’esh (de Arabische benaming voor Islamitische Staat) te gaan vechten komt neer op het helpen van Da’esh,” zegt Ahmed Ibrahim, een lange magere jongen die Handel studeert in Kobani. Hij sneert: ,,De Turken noemen ons terroristen, maar Da’esh niet.”

Mustafa Shikh Abdi krijgt tranen in zijn ogen van wanhoop en frustratie terwijl hij probeert uit te leggen waarom hij terug wil. ,,IS verbrandt huizen, doodt mensen en wij staan werkloos hier, waar we niets kunnen doen. Ik wil terug. Als ze me dan doden, het zij zo.”

Tussen de gefrustreerde mannen aan de grens is het gemakkelijk te denken dat de Turkse staat, waar ze zojuist hun familieleden in veiligheid hebben gebracht, een grotere vijand is dan de jihadisten van Islamitische Staat. Ze zijn fel anti-Turks door de lange en gewelddadige onderdrukking van Koerden in Turkije. Ze zijn er bovendien van overtuigd dat grote buur Turkije met IS onder een hoedje speelt.

Ruim een kilometer landinwaarts sjouwen Koerdische mannen met sjaals om hun gezichten rotsblokken de weg op, om de pantservoertuigen van het leger te hinderen. De militairen reageren met waterkanonnen en traangas. Een paar uur later lukt het honderden Koerden door de grens te breken en richting Syrië te gaan om met de YPG mee te vechten, meldt een activist telefonisch.

Hun in Turkije achtergebleven vrouwen en kinderen tasten in het duister over wat in Syrië gebeurt. De meeste dorpen zijn leeg. Ze horen over huizen die in de brand zijn gestoken of ingenomen door IS-strijders en over winkels die worden geplunderd. Ook gaan verhalen rond over onthoofdingen van mannen.

Politiek activisten van Koerdische partijen lopen rond met handgeschreven lijstjes in hun kontzak. Als ze iemand spreken die namen kan geven van dorpen of van slachtoffers, noteren ze die in een poging overzicht te krijgen.

Informatie is schaars en vrijwel niet te controleren. In de Syrische burgeroorlog vertrouwt geen van de strijdende partijen de ander. Milities die het ene moment tegen elkaar vochten, sluiten het volgende moment een gelegenheidscoalitie en andersom.

Nu fluisteren Turken en Arabische Syriërs achterdochtig dat het er veel van wegheeft dat de Syrische Koerden hun eigen ‘Sinjar-moment’ hebben willen creëren. Begin augustus viel IS in buurland Irak onder meer yezidi’s aan en joeg ze het onherbergzame Sinjar gebergte op. Strijders van de YPG en de PKK vervulden een heldenrol bij het redden van mensen. Sindsdien zijn er internationale wapendonaties voor de Koerden in Irak en lijkt de westerse wereld wakker te zijn geworden voor de dreiging van IS.

Zo’n wakkerschudmoment is voor Syrië ook nog altijd nodig, vinden de opstandelingen, waaronder de Koerden. „Heb je over Sinjar gehoord?”, vraagt Nizar Mustafa van de Koerdische Nationale Raad, een van de politieke organisaties van Koerden in Syrië. „Dat wil da’esh nu ook in de stad Kobani proberen. Ze willen mensen gevangen nemen, verkrachten, verkopen. De internationale coalitie moet niet alleen in Irak, maar ook in Syrië aanvallen.”

Een paar uur na het gesprek beginnen de Amerikaanse luchtaanvallen op IS-doelen in Syrië. Nizar is opgetogen, vertelt hij telefonisch. „Het lijden van onze mensen is verschrikkelijk. Maar eindelijk hebben de Amerikanen gezien dat we in gevaar zijn. Dat maakt mensen hier erg blij. Het heeft gewerkt.”