De ironie van leven in een pittoresk dorp

Kuhhorst Vriend Morton ondervindt dat hij ook op het platteland niet aan Berlijnse regeltjes kan ontsnappen.

Heerlijk vrij buiten wonen op het platteland van Brandenburg. En dus niet in Berlijn met al die aan regeltjes verslaafde Berlijners. De eerste die ik erover hoorde was de ingeburgerde Russische schrijver Wladimir Kaminer. Hem sprak ik vorig jaar over zijn boek Diesseits von Eden waarin hij licht ironisch verslag doet van het paradijselijke leven in een ontvolkt dorp.

Ik weet niet of het een trend is, maar ook mijn goede vriend Morton* en zijn vriendin Ilse, beiden werkzaam in de Berlijnse media-industrie, zijn afgelopen zomer op het platteland gaan wonen. Morton deed tussendoor opgetogen verslag. „Man! Eerst denk je dat het volkomen eenzaam is daar, maar in het weekeinde zitten al die chique lui uit Prenzlauer Berg met hun kinderen op de geitenboerderij bij ons in de buurt.” Ik moest echt komen barbecuen, ofwel grillen, zoals dat hier heet.

Afgelopen week was het zover en reed ik tegen het vallen van de avond langs lommerrijke beemden, pittoreske vakwerkhuizen, opbollende akkertjes en bosland met overal water naar het gehucht Kuhhorst, helemaal achter Oranienburg in de vroegere DDR.

Morton kwam op blote voeten door het hoge gras achter zijn nieuwe huis naar de weg gelopen. Trots toonde hij de enorme, half verwilderde tuin. En de vervallen eeuwenoude smidse die ook bij de koop was inbegrepen. „Dit huis heeft alles was ik altijd wilde: ruimte, oude bomen, zelfs een boomgaard.” Hij wijst op twee piepjonge boompjes die gebukt gaan onder de vele appels aan de dunne takken.

Later, als het vlees op de barbecue ligt, vertelt hij bij een kampvuur dat het huis is gebouwd door de vroegere, uit West-Duitsland afkomstige bedrijfsleider van de biologische zorgboerderij die het gehucht domineert. Inmiddels is die man gedumpt door de eigenaren van de boerderij. „Ik vind het wel een soort rechtvaardigheid dat ik als Ossi nu het huis inpik van zo’n Wessi”, zegt Morton.

De barbecue draait al een tijdje als buurman Karl opdoemt uit de duisternis. Nee, hij wil niet eten, wel een glas rode wijn. Ilse informeert naar zijn kippen. Karl legt uit dat hij scharrelkippen heeft, die hij los laat rondlopen. „Maar dat mag nu niet meer.” Dan volgt het verhaal van buurvrouw Müller. Zij zorgt voor de loslopende katten in Kuhhorst. „Haar man is afgelopen zomer overleden. Geen moment te vroeg. Telkens als ik dacht dat hij dood was, zag ik hem weer voorbijkomen op weg naar de nierdialyse.”

Ilse kent buurvrouw Müller ook. „Ze gaf melk aan de poes die hier was achtergelaten door de vorige eigenaar van dit huis. Nu moest ik voor die kat zorgen, zei ze. Want de kat hoorde bij het huis.”

Karl knikt. „Frau Müller zet overal schoteltjes neer met kattenvoer. Mijn kippen intimideren de katten en eten dan dat voer op.” De buurvrouw heeft Karl gesommeerd zijn kippen op te sluiten. Hij heeft geweigerd en haar gevraagd die katten na 19.00 uur te voeren, als zijn kippen op stok zijn. „Ze heeft de dierenbescherming gebeld en gelijk gekregen: kippen horen volgens de dierenbescherming in een hok.” Karl neemt een slok. „Eigenlijk is het leven in zo’n dorp niet heel anders dan in een flatgebouw in Berlijn.” Morton kijkt naar de vlammen van het kampvuur en zegt niks.

*Alle namen zijn veranderd