Column

De een zit te lunchen terwijl een ander moet vluchten

Tot mijn spijt ben ik te moe om pessimistisch te zijn. Verwacht vandaag geen slim verhaal over het einde der tijden van mij.

Er zijn van die dagen, zong Elsje de Wijn. En inderdaad, er zijn van die dagen. Van die weken. En omdat het van die weken waren, kwam er van werken niets. In plaats daarvan belandde ik aan de oever van een rivier, precies op tijd voor de lunch. Een ober bracht een kaart met een citaat van Orson Welles. Vraag niet wat je voor je land kunt doen, zei Welles. Don’t ask what you can do for your country, ask what’s for lunch.

Precies.

Tot dat moment op de oever had ik mijn tijd doorgebracht in wachtkamers van ziekenhuizen. Niet omwille van mijzelf, dank voor uw bezorgdheid, maar omwille van iedereen in mijn omgeving. En als je dan langere tijd in zo’n wachtkamer zit, verdwijnt de samenleving langzaam uit zicht en komen andermans beschouwingen alleen gedempt door. Af en toe las ik een deftig, gedeprimeerd artikel over ravage, bederf en de ondergang van de mensheid. In The New York Times stond een column waarin een vooraanstaand intellectueel slechts vijfenveertig woorden per werelddeel nodig had om samen te vatten hoe uitzichtloos de situatie wereldwijd is. Bravo! Zelf had ik helaas de puf niet voor zoveel zwartgalligheid.

Zittend in die wachtkamers en pratend met vrienden die hun gezondheid en hun leven aan het verliezen waren, dacht ik aan de gelijktijdigheid. Het verschijnsel dat miljarden mensen tegelijkertijd rondlopen en toch allemaal hun eigen, individuele levenslot hebben.

Goed, er zijn grote lijnen aan te wijzen en er zijn inderdaad fatale omstandigheden die niet het individu treffen, maar de groep, het volk of een half continent. Dat is wat we bij mij in huis de verschrikking van het ‘inzwischen’ noemen. Op hetzelfde moment dat je in Nederland volgens de statistieken onbezorgd zit te lunchen, zijn mensen elders massaal op de vlucht.

Toch werkt de gelijktijdigheid op een individueel vlak net zo goed andersom. In oorlogsgebieden worden individuen verliefd, ze vieren feest en ze krijgen kinderen; hier in onze relatieve rust gaan mensen op hetzelfde moment individueel teloor, ze lijden verliezen en gaan dood. Kijk je langs grote lijnen naar de wereldgeschiedenis, dan is deze interpretatie van het ‘inzwischen’ een schandelijke vervorming van de verhoudingen. Zoom je in op het individu, dan is het simpelweg waar.

Ontsnapt uit de wachtkamer en het ziekenhuis was ik intussen op de oever van de rivier beland. Het water glinsterde, de velden strekten zich wijd en zijd uit. Het trof gelukkig dat dit uitstapje niet in de krant kwam, met de rekening erbij, zodat ik me over het oordeel van de serieuze krantenlezer geen zorgen hoefde te maken. We moesten ons alleen verantwoorden tegenover onze schepper, en die kon het kennelijk niet zoveel schelen, want hij gooide met kwistige hand nog wat zonlicht over het water. En hij liet doperwt-ijs aanrukken, wat ik dan maar opvatte als een teken dat het met de genade wel goed zat.

‘Waarover spraken zij, op die mooie warme dag in september’, neuriede een van de aanwezigen. Wat een zegen, dacht ik, om in gezelschap te verkeren van erudiete mensen, die ‘Drie kleine kleutertjes’ paraat hebben als de situatie daarom vraagt.

Waarover spraken wij? Ik was, zoals gezegd, te moe om nog iets te verzinnen. Niets wat ik zei was nog raak, of touché, slagvaardig, scherp, treffend, dodelijk, pijnlijk of op een andere wijze geestelijk bevredigend. Dacht ik aan de werelddelen, dan wilde niets me te binnen schieten. Dacht ik aan de huidige tijd, dan dacht ik aan Dickens. It was the best of times, it was the worst of times. ‘Het was de beste der tijden, het was de slechtste der tijden, het was de eeuw der wijsheid, het was die der dwaasheid, het was het tijdvak van het geloof, het was dat van het ongeloof.’

Naast me gooide iemand Philip Ball op. Diens boek Critical Mass, zei hij, laat zien dat je in grote lijnen heel zekere uitspraken kunt doen. Je kunt met verbluffende precisie uitrekenen wat de levensverwachting is van de Irakees of de Nederlander. Maar in individuele gevallen heb je daar helemaal niets aan; hoe lang je zelf nog zult leven kun je nooit weten.

Ik wist nog steeds niets fatsoenlijks te verzinnen. Natuurlijk kon ik de huidige tijd wel samenvatten in een paar woorden, maar die waren dan wel weer van Dickens. ‘Het was de lente van de hoop, het was de winter der wanhoop; wij hadden alles te verwachten, we hadden niets te verwachten, we gingen allen rechtstreeks naar de hemel, we gingen allen rechtstreeks de andere kant uit.’ We wisten het eenvoudigweg niet. En dat, met die zon en dat doperwt-ijs erbij, was best een opgewekte gedachte.