Als je een overval pleegt, vraag je erom

Vandaag legt justitie uit waarom ze de juweliersvrouw uit Deurne niet vervolgt.

Marokkaans-Nederlandse jongeren demonstreerden kort na de fatale overval in Deurne bij juwelier Goldies. Foto ANP

Alsof je door een foto wandelt, zo rustig verloopt deze vroege avond in de Eindhovense wijk Hagenkamp. „Hier gebeurt nooit iets”, zegt een vrouw die de ramen van haar flatwoning lapt. Schuin tegenover haar woont de moeder van Abdel, de jongeman die een half jaar geleden omkwam in een juwelierswinkel in Deurne, vijfentwintig kilometer verderop. „Het is voor mij moeilijk er iets over te zeggen. Ik moet eerst de camerabeelden zien”, zegt Abdels moeder. Haar 20-jarige zoon overviel met een andere Marokkaan op vrijdagmiddag 28 maart het juweliersechtpaar Marina en Willy. Marina schoot de twee overvallers dood. Ze handelde uit noodweer en wordt niet vervolgd, werd vorige week bekend. Vandaag geeft justitie tekst en uitleg.

Abdel was een kalme jongen die in handen van verkeerde vrienden viel – die indruk houd je over na gesprekken met kennissen en omwonenden. Buren van Abdel zeggen dat het gezin waarvan hij deel uitmaakte stil was. „Ik heb nooit last van die mensen gehad”, zegt een buurman.

Abdel trok vaak naar vrienden in de Bennekel, een wijk met een minder gunstige reputatie. Ook hing hij wel eens rond in een park met zicht op het voetbalstadion van PSV. Zelf voetbalde hij bij Brabantia. „Linkspoot. Kon goed dribbelen”, zegt een voormalige vriend tijdens de training op het kunstgras. Met Abdel speelde hij enkele jaren geleden in een selectieteam. „Het was een goeie jongen uit een rustig gezin. De mensen deden geen vlieg kwaad. Ik had hem drie jaar niet meer gezien toen ik hoorde dat hij bij de overval om het leven was gekomen. Dat was een grote schok voor mij. Het kwam heel hard binnen. Ik had eerder wel gehoord dat hij verkeerde vrienden had gekregen. Maar dit had ik nooit verwacht.”

Na de gebeurtenissen in Deurne trokken Marokkaanse jongeren naar juwelier Goldies om hun woede te uiten over de schietpartij en om duidelijk te maken dat juweliersvrouw Marina „geen held” was.

In de buurten waar Abdels leven zich afspeelde is van die woede nu niet zo veel te merken. Een enkele Marokkaanse jongere in de Bennekel is verontwaardigd dat een journalist het waagt de kwestie opnieuw op te rakelen. „Komen jullie weer sensatie zoeken? Laat de zaak rusten! Die jongen is dood. Gun hem rust en vrede!” Een vriend probeert hem te bedaren door te vertellen dat de kwestie nu eenmaal opnieuw in het nieuws is. Het lukt slecht. „Dat weet ik!” Honderd meter verderop hoor je hen nog kibbelen.

Andermans spullen

Veruit de meeste bewoners lijken begrip te kunnen opbrengen voor wat juweliersvrouw Marina heeft gedaan. De Hollandse buren zijn er uitgesproken over. „Je moet gewoon van andermans spullen afblijven”, zegt de een. „Het is een kwestie van keuzes maken. We moeten allemaal hard werken voor onze centen. Ik zou twee keer zo veel kunnen verdienen als ik andere keuzes maak. Maar dat doe ik niet.” Jezelf verdedigen tegen diefstal is dus logisch. „Als deze jongen bij mij thuis binnen was gekomen, dan had ik weliswaar geen pistool gehad maar wel een honkbalknuppel, en dan was ik ook in het nieuws geweest.”

Ook anderen in de buurt lijken de dood van Abdel vooral te beschouwen als het risico van de overvaller. „Wat had je anders verwacht?”, verzucht een medewerker van een Marokkaans eethuis. De uitbater van een Marokkaans theehuis is het met hem eens. Hij spreidt zijn armen en zegt: „Ieder zijn lot.” Vervolgens legt hij omstandig uit dat vaders hun zonen moeten opvoeden, en dat dit bij Abdel kennelijk niet is gelukt. „Als je een winkel overvalt en je wordt doodgeschoten, dan vraag je er om. Dat is het risico wat je neemt.”

Dat er na de dood van de overvallers is gedemonstreerd, vindt de man belachelijk. „Dat doe je toch niet! Voor zoiets!” Hij lacht. „Wij Marokkanen zijn toch al zo populair. En dan dit!”

Naast hem staat een automaat met frisdrank. Vindt hij niet heftig dat je iemand die zo’n blikje steelt, zou kunnen doodschieten? „Nou, niet als het van goud is!”