Zeventien mensen worden live gedood

Wie veel thrillers leest, waadt willens en wetens in lieslaarzen door de slachthuizen van de literatuur. Of in deze boeken sprake is van geweldsporno is geen vraag maar een feit. Wat dat zegt over zowel lezer als schrijver is een ongemakkelijke kwestie.

De Noor Jo Nesbø is uitgegroeid tot een van de best schrijvende en best verkopende auteurs in zijn genre. In De zoon worden zeventien mensen ‘live’ op de pagina gedood. Aldus: ‘Ze lag daar in de bosjes, het bloed gutste naar buiten. Ze lag doodstil naar ons te kijken. De hond had een hap uit haar gezicht genomen, je kon haar tanden zien. […] Dus hij pakte dat kleine, kromme mes uit zijn beenholster, deed een stap naar voren, greep haar bij de haren, tilde haar hoofd een beetje op. Het leek of hij het mes alleen maar langs haar hals zwaaide. Of hij een vis vilde. Slechts vier keer pompte het hart het bloed naar buiten, toen was ze leeg.’ De zoon is een opzichzelfstaand boek – geen onderdeel van Nesbø’s Harry Hole-serie – waarin een gedetineerde zoon een queeste onderneemt als hij hoort dat zijn politieman-vader helemaal geen suïcidale verrader was, maar erin is geluisd. De manier waarop Sonny ontsnapt en uit handen van politie en maffia weet te blijven, is inventief en heel enerverend.

Hoewel er in het boek uitdrukkelijk ruimte is voor liefde en mededogen, is Sonny’s verhaal vooral een wraak-epos.

In De zoon gedraagt bijna iedereen zich walgelijk – op taxichauffeur Pelle, zwerver Lars en jongetje Markus na zijn letterlijk alle mannen ellendelingen – en hoewel de lezer zich kan beroepen op het recht om geschokt en verontrust te worden, rijst de vraag waarom en ook óf je dit nog leuk vindt.

De zoon is als een geslaagde barbecue: te veel, te vet, wel lekker maar voorlopig niet nog een keer. In zoverre memorabel dat je er de volgende dag nog naar stinkt.