Soms goed, soms steengoed

Het openingsverhaal in deze verhalenbundel gaat over een student die uren doorbrengt met het vanuit zijn raam observeren van de deur van de erotische massagesalon aan de overkant. Hij maakt aantekeningen en verbeeldt zich wat er binnen gebeurt, maar daar blijft het bij.

De vroege twintigers in het boek van Heerma van Voss weten nog niet hoe ze het echte leven in moeten. Met dat buitenstaanderthema voldoet Heerma van Voss veel meer aan het clichébeeld van een schrijver, en het geeft zijn verhalen soms net wat te veel distantie.

Die relatieve braafheid en afstandelijkheid worden ruimschoots gecompenseerd door het niveau van De derde persoon.

De meeste verhalen zijn goed, sommige zijn zeer goed.

Er staat een indrukwekkende monoloog in van een zoon aan het bed van een stervende vader.

Het geeft een knap gestileerd portret van die vader (en die zoon), maar het is vooral zo goed omdat Heerma van Voss zich niet tevreden heeft gesteld met een paar mooie vondsten uit het begin van het verhaal, maar dóórgeschreven heeft, waarbij het de volle dertig pagina’s blijft winnen aan diepgang. Zeker bij een zo eenvoudig verdrietig onderwerp als een stervende vader is dat een prestatie. (Dat het laatste woord van het verhaal overbodig is, laten we hier onvermeld). Een verhalenbundel is toch een beetje een boek met een poepvlek erop: niemand wil het echt oppakken, zegt iemand.

Die opmerking doet een heel genre onrecht aan, maar je kunt je bij sommige verhalen in De derde persoon niet aan de indruk onttrekken dat vooral de romanschrijver Heerma van Voss (die eerder al De allestafel en Stern publiceerde) staat te trappelen om weer aan iets groters te beginnen.

Iets waarin het niet draait om buitenstaanders, maar om deelnemers – met alle ellende van dien.

En dat er reden is om daar reikhalzend naar uit te kijken.