Column

Politieke zandbak

In 1971 volgde Godfried Bomans (1913 – 1971) een maand lang een aantal prominente politici tijdens hun verkiezingscampagne. Achteraf bezien had hij toen nog maar een half jaar te leven. Zijn observerende stukken zijn terug te vinden in zijn bundel De man met de witte das – Spelen in de zandbak van de Nederlandse politiek.

Het is nog altijd aangename, zelfs leerzame lectuur. Het eerste deel, een openhartig essay over zijn vader – ooit lijsttrekker van de KVP – behoort tot het beste dat hij schreef. De impressies betreffende de politici vormen het middendeel van het boek. Wie de laatste Algemene Beschouwingen nog op zijn netvlies heeft, zal concluderen dat er minder nieuws onder de zon is dan we geneigd zijn te denken.

Bomans spaart de politici allerminst. Hij analyseert niet zozeer wát ze zeggen – dat interesseerde hem niet veel – maar hoe. Hij was niet erg onder de indruk, de meesten vond hij matige sprekers.

,,De heer Biesheuvel [ARP/CDA] vond ik eigenlijk minder dan de heer Udink [CHU]. Het was ronduit saai. Dat was de heer Udink ook wel, maar er zijn toch graden van saaiheid en de heer Biesheuvel wist hierin een niveau te bereiken, waarop de toehoorders slechts door het toepassen van uitvoerige rekbewegingen het bewustzijn levend hielden.’’ (Terzijde: deze en andere passages brachten mij weer eens in herinnering hoeveel een schrijver als Bob den Uyl in stilistisch opzicht van Bomans geleerd heeft.)

Stemmodulatie, gebaren, expressie, woordkeus – Biesheuvel en Udink bakten er in de ogen van Bomans weinig van. Den Uyl (PvdA) schatte hij als redenaar iets hoger in „maar daarmee is natuurlijk niet veel gezegd”. Hij vond hem te nadrukkelijk en te eentonig met zijn gebalde vuistje gesticulerend. Van een aantal sprekers geeft Bomans rake typeringen.

„Overigens heeft de heer Udink een fraai besneden hoofd, waar omheen men niettemin de omlijsting van een loket ziet.”

„Hij [Biesheuvel] lacht ruim en hartelijk vanuit het middenrif zonder dat daarbij de ogen hun waakzaamheid verliezen.”

„Hij [Den Uyl] heeft een gezicht alsof hij voortdurend tegen de wind loopt. (…) Dit geeft hem de expressie van een vos, die onraad vermoedend om een hoekje kijkt.”

„De heer Van Mierlo [D66] heeft het gezicht van een Leids student, over wie zijn ouders zich terecht ernstige zorgen gemaakt hebben, maar die dan nog net op zijn pootjes terecht gekomen is.” (Bomans signaleert ook een schichtige, onzekere kant van Van Mierlo.)

Bomans vond Wiegel – hoewel nog pas in opkomst bij de VVD – een betere redenaar dan Biesheuvel, Udink en Den Uyl. Maar de meeste lof heeft hij voor communist Marcus Bakker. „Een voortreffelijk redenaar. Hij behoort tot die sprekers, wier teksten bitter tegenvallen als je ze leest, maar naar wie je ademloos luistert als je ze hoort. De oorzaak hiervan is, dat zij het geheim van de dosering bevatten.”

Hoe meer Bomans over Bakker uitweidt, hoe meer ik moet denken aan een berucht Kamerlid van dit moment. „De lijsttrekker van de CPN gaat uit van de veronderstelling, dat het voortdurend smalen op wat anderen voor juist houden een eigen betoog oplevert. Dit is een misvatting. (…) Hij schold op alles en iedereen, met een superbe hoon, een bijtend sarcasme en een bittere haat. (…) Het was louter afbraak.’’

Een opvallende gelijkenis met een verbeten marxist? Ik durf het dit extreem-rechtse Kamerlid nauwelijks aan te doen.