Optreden boven Irak en Syrië vereist waterdicht mandaat

In New York vindt momenteel druk diplomatiek overleg plaats over de vraag onder welke noemer militaire acties tegen de strijders van de Islamitische Staat boven Irak en Syrië kunnen worden uitgevoerd. De wil om iets te ondernemen is volop aanwezig, ook bij Nederland dat bij de militaire planners in het Amerikaanse Tampa aan tafel zit. Het gaat nu om de voorwaarden waaronder dit moet gebeuren.

Uit de woorden van premier Rutte op zijn wekelijkse persconferentie van afgelopen vrijdag bleek nog eens dat dit geen eenvoudig te beantwoorden vraag is. Voor acties tegen IS boven Irak ligt de zaak tamelijk helder. Daar kan de voorgenomen internationale coalitie onder leiding van de Verenigde Staten in actie komen op verzoek van de Iraakse regering. Syrië is een ander geval. Daar is geen sprake van een gelegitimeerde regering.

Rutte had vrijdag veel woorden nodig om te erkennen dat voor acties boven Syrië een volkenrechtelijk mandaat nodig is. Is dat er niet, dan zou bezien moeten worden hoe de Nederlandse bijdrage aan de internationale coalitie tegen IS beperkt kan worden tot het Iraakse deel, zo zei hij.

Het is toe te juichen dat een volkenrechtelijk mandaat voor de premier een vereiste is, want op dit punt kampt de Nederlandse politiek met een zwaar beladen verleden. Jarenlang wist toenmalig premier Balkenende vol te houden dat in 2003 voor de interventie van de Verenigde Staten in Irak, die door Nederland politiek werd gesteund, geen nieuwe resolutie van de Veiligheidsraad nodig was. In 2010 sprak de commissie-Davids na een onderzoek (dat eindeloos lang door Balkenende was tegengehouden) uit dat de Amerikaanse actie van destijds een „adequaat volkenrechtelijk mandaat ontbeerde”. Het is dan ook niet voor niets dat in het regeerakkoord van VVD en PvdA de vereiste voor een volkenrechtelijk mandaat voor Nederlandse bijdragen aan internationale crisisbeheersingsoperaties is opgenomen.

Het optreden van de internationale coalitie tegen de Islamitische Staat kan zeer verstrekkende gevolgen hebben en leiden tot averechtse effecten. De begrijpelijke emoties die het afschuwwekkende optreden van IS oproept, mogen niet verhinderen dat het denken over de consequenties op lange termijn van ingrijpen in brandhaard Midden-Oosten goed onder ogen worden gezien.

Voorop dient te staan dat – los van de wenselijkheid – een militaire actie in volkenrechtelijk opzicht juridisch waterdicht is. De opmerking van Rutte dat zich „een juridische redenering laat bedenken” die het mogelijk maakt ook voor acties boven Syrië een volkenrechtelijk mandaat te verkrijgen, stelt in dit verband niet gerust.