Ontsporingsrisico bij Oost-Europese kindmigranten

Sommige Poolse, Bulgaarse en Roemeense kinderen die naar Nederland zijn verhuisd kunnen ontsporen vanwege de problemen waar zij hier tegenaan lopen. Vooral tieners lopen risico als gevolg van hun gebrekkige leefomgeving en taalachterstand. Dat staat in een vandaag gepubliceerd rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP).

Armoede, illegale huisvesting, slechte woonomstandigheden en gebroken gezinnen komen veel voor bij Poolse, Bulgaarse en Roemeense migranten. Dat heeft veel gevolgen voor het welzijn van hun kinderen, stellen deskundigen in het rapport.

Kinderen lopen onder meer leerachterstanden op doordat hun ouders vaak heen en weer pendelen tussen Nederland en het herkomstland. Behalve gevolgen voor de schoolloopbaan zorgt dat er ook voor dat de kinderen ontworteld kunnen raken en zich nergens meer thuis voelen.

Sommige ouders, voornamelijk Polen, werken lange dagen waardoor ze niet goed voor hun kinderen kunnen zorgen. Kinderen krijgen weinig aandacht wat vervolgens weer een zwakke band met de ouders oplevert.

Vooral tieners vormen een probleemgroep

Deskundigen maken zich vooral zorgen over tieners die dreigen te ontsporen. Ze krijgen verkeerde vrienden, hangen rond en zorgen voor problemen op straat en op school. In enkele gevallen is sprake van tienerzwangerschappen en prostitutie.

In Nederland zijn ongeveer 41 duizend kinderen uit Midden- en Oost-Europese landen ingeschreven. Het merendeel is Pools (24 duizend). Volgens het SCP zijn er ook nog kinderen die niet zijn ingeschreven, maar hoeveel dat er precies zijn is niet bekend. (Novum)