Nieuwe Haagse passage: gestippeld

Gebouw: Nieuwe Haagse Passage. Architect: Bernard Tschumi. Opdrachtgever: Ontwikkelingsmaatschappij Spuimarkt CV, Multi Vastgoed e.a.. Ontwerp: 2005. Oplevering: 2014.

1

Handig voor de doorgang, lomp van aanzien: Tschumi’s nieuwe passage aan de Grote Marktstraat in Den Haag Foto Walter Herfst

De herfst van 2014 laat een opmerkelijke terugkeer van twee 19de-eeuwse gebouwtypes zien in de Nederlandse architectuur. Op 1 oktober opent in Rotterdam de door MVRDV ontworpen markthal, een gebouwtype dat Nederland eigenlijk niet kent. Vorige week vond de feestelijke opening plaats van de Nieuwe Haagse Passage, naar een ontwerp van de bijna starchitect Bernard Tschumi.

De Nieuwe Haagse Passage ligt in het verlengde van de oude, driepotige passage uit 1885, een van de weinige 19de-eeuwse passages in Nederland. Dit betekent een kolossale verbetering van de Haagse binnenstad: de nieuwe passage vormt een goede verbinding tussen twee winkelstraten, de Spuistraat en de Grote Marktstraat. Tot voor kort liep de oude, in 2007 mooi gerestaureerde passage dood op de Spuistraat en moesten shoppers door een gribussteeg naar de schitterende Bijenkorf van Amsterdamse-Schoolarchitect Piet Kramer als ze niet wilden omlopen. De Frans-Zwitserse architect Bernard Tschumi, bekend geworden door onder meer het Parc de la Vilette in Parijs (1998) en het Acropolis Museum in Athene (2009), wil met zijn nieuwe passage aansluiten op het 19de-eeuwse gebouwtype, zo laat hij weten op zijn site. En inderdaad: de Nieuwe Haagse Passage is, net als de oude, een binnenstraat met een glazen dak en aan weerszijden winkels. Maar elke verdere vergelijking valt in het nadeel van de nieuwe uit. Neem bijvoorbeeld het glazen dak. Terwijl de passage uit 1885 is bedekt met een sierlijke constructie van dunne ijzeren staven en glas, heeft de Nieuwe Haagse Passage een lomp dak gekregen van dikke, rechte balken en glasplaten. Ook de voorgevel aan de Grote Markstraat is armzalig. Hier zit een glasscherm op een onhandige manier klem tussen de ook door Tschumi ontworpen lange, uitkragende hoteldoos rechts en de winkeldoos links. Grote amoebe-vormige ramen in de dozen moeten op een geforceerde manier zorgen voor ‘eigentijdsheid’.

Binnen valt vooral de armetierigheid op. Hebben de rijk versierde gevels van de oude passage een mooi ritme, die van de nieuwe zijn volkomen glad. Bovendien hebben de onderste twee verdiepingen de armoedige standaard gevelpanelen gekregen die al zoveel winkelstraten in Nederland teisteren. Het enige, onregelmatige ritme van de passage is dat van de lichte knikken die de gevels hebben gekregen. Maar die zorgen vooral voor een rommelige en onrustige aanblik van de binnenstraat. Om het allemaal nog erger te maken is het grootste deel van gevels van de nieuwe winkels en passage bekleed met witte keramische tegels met (licht)blauwe stippen in verschillende patronen. Tschumi heeft de tegels bedoeld als een ‘knipoog’ naar de Nederlandse geschiedenis. In de 17de en 18de eeuw waren Delfts blauwe tegels ‘alomtegenwoordig in de Nederlandse architectuur’, schrijft hij in zijn toelichting. Natuurlijk weet Tschumi ook wel dat de Delfts blauwe tegels in oude Nederlandse architectuur alleen werden gebruikt in interieurs en dan vooral in keukens en rondom openhaarden. De tegelgevels maken de Nieuwe Haagse Passage dan ook tot een banaal, nee, onzinnig geval van historiserende architectuur. Met het aanzien van een immense oud-Hollandse keuken is Tschumi’s passage een slechte grap en letterlijk een blessing in disguise : een verbetering van de Haagse binnenstad vermomd als een monstrum.