Moeten we het echt over de liefde hebben?

Hij wil zijn lezers meevoeren in een denktrant die op het eerste gezicht misschien ver van ze af staat. En dan op zo’n manier dat ze het geloven. Thomas Heerma van Voss spreekt er liever over dan over de liefde, of zijn familie.

illustratie enkeling

Deze zomer heb je je studie Nederlands afgemaakt. Ben je al aan het solliciteren?

„Nee. Ik richt me voorlopig op het schrijven.”

Kun je daar je dagen mee vullen, heb je geen behoefte aan maatschappelijke relevantie? In NRC Handelsblad schreef Anton Dautzenberg onlangs nog dat Nederlandse schrijvers te weinig engagement tonen.

„Volgens mij is dat een klacht die iedere paar jaar wordt geuit, en ik begrijp er nooit zo veel van. Is mijn werk maatschappelijk relevanter als ik schrijf over een soldaat die gevochten heeft in Afghanistan in plaats van over een zestigjarige basisschoolleraar? Daarnaast: ik hoor auteurs weleens zeggen dat ze een boek hebben geschreven dat echt over ‘deze tijd’ gaat en niet eerder of later had kunnen verschijnen. Volgens mij zeg je dan ook dat het over een paar jaar weer verouderd is. Nu heb ik weinig verwachtingen van eeuwigheid, volgens mij worden auteurs in steeds rapper tempo vergeten. Alleen al doordat onze taal voortdurend verandert, raken boeken verouderd - maar tijdloosheid is wel het streven.”

Je nieuwe boek De derde persoon is een korte verhalenbundel. Wat is de grootste misvatting over het korte verhaal?

„Dat minder lengte betekent dat er minder op het spel staat.”

Wat staat er in jouw verhalen dan op het spel?

„Voor mij draait literatuur niet om het vangen van een tijdgeest. En ook niet om het ontwikkelen van een andere blik op de hele wereld, op belangrijke gebeurtenissen uit onze nationale geschiedenis of het beschrijven van grote bewegingen binnen een gemeenschap of vriendengroep. Ik richt me juist op een paar individuen, meestal zelfs op één iemand, tot wie ik zo diep mogelijk probeer door te dringen. Ik probeer gedrag invoelbaar te maken, ook als er keuzes worden gemaakt die wij doorgaans als ongebruikelijk zien. Ik wil mijn lezers geleidelijk meevoeren in een denktrant die op het eerste gezicht misschien ver van ze af staat - en die ze toch helemaal geloven.”

Zo schrijf je over iemand die zijn kamer niet verlaat en alleen maar naar de massagesalon aan de overkant van zijn straat kijkt.

„Ik vind dat een interessant gegeven, juist omdat hij zo weinig ziet. Hij krijgt alleen de onderhandelingen tussen klant en masseuse mee, bij de voordeur, verder zijn alle gordijnen gesloten en heeft hij dus geen idee wat er in de massagesalon gebeurt. Zodra iemand naar binnen gaat houdt de werkelijkheid op voor deze toeschouwer. En daar begint zijn fantasie.”

Waar komt die psychologische interesse vandaan? Ben je zelf ook zo observerend ingesteld?

„Ik vermoed van wel. Zeker in grote groepen heb ik de neiging eerder een stap naar achteren te zetten dan naar voren. Mijn moeder zei onlangs dat ze tot mijn tiende weleens twijfelde of ik meer dan een paar zinnen achter elkaar kon zeggen, zo weinig praatte ik. Tot we samen een week naar haar huisje in Egmond gingen en ik – zo vertelde mijn moeder althans – in een paar dagen meer zei dan in de maanden ervoor. Kennelijk had ik die rust nodig om te durven spreken en zaten er achter mijn zwijgzaamheid thuis wel verhalen die ik kwijt wilde. Eenmaal terug uit Egmond was ik overigens net zo stil als ervoor.”

Die stilte is in je werk nooit ver weg. Waanzin ook niet trouwens. Het motto van je bundel, afkomstig uit de film The Dark Knight: ‘See madness, as you know, is like gravity.’ Ben je het daarmee eens?

„Wat mij vooral aanspreekt in dat citaat is het woord gravity: je let even niet op, je valt, en voor je het weet lig je op de grond. Volgens mij klopt dat heel erg. Sommige van mijn personages belanden, via routes die ik volkomen kan volgen, in situaties waarvan ik denk: vanaf hier is het geen grote stap naar officieel stakingsgedrag, scheldpartijen, fysiek geweld wellicht. Anderzijds voer ik ook iemand op die juist al een aanslag heeft gepleegd, en aan wie eigenlijk niets vreemds te merken is: het is een vriendelijke man, iemand die niet zou opvallen in de supermarkt en van wie het een raadsel blijft waarom hij is overgegaan tot zijn daad. Ik denk dat er bij veel van zulke handelingen ook helemaal geen duidelijk waarom is, het is een val die zich vaak zonder duidelijke oorzaak voltrekt. Tot frustratie van velen, trouwens: ideologieën achter aanslagen vinden we eng, maar een gebrek aan ideologieën vinden we nog veel enger.”

Zie je jezelf weleens ontsporen?

„Niet snel. Daarvoor ben ik te veel gehecht aan het leven dat ik nu leid en ben ik vermoedelijk ook te geremd, te rationeel.”

Word je weleens echt boos?

„Zelden. En als het gebeurt, is het volgens mij nauwelijks te merken. Om onbenullige dingen kan ik me nog wel zichtbaar opwinden: een verloren voetbalwedstrijd, een film waarvan ik hoge verwachtingen had en die teleurstelt. Maar dat blijft eerder bij een aanzet tot woede.”

Uit betrouwbare bron heb ik vernomen dat je in het dagelijks leven weinig emoties laat zien. Dat je gesteld bent op alleen zijn.

„Ik begrijp eerlijk gezegd niet waarom dit relevant is.”

Geloof je in de liefde?

„Gaan we het hier echt over hebben?”

Het lijkt me vrij relevant omdat zeker die teruggetrokkenheid terugkomt in je verhalen.

„Alles wat gemaakt is onthult tot op zekere hoogte de maker. Alles wat ik schrijf is in zekere zin autobiografisch - en tegelijk is niets autobiografisch. Literaire fictie staat vol uitvergrotingen, verdraaiingen en verkleiningen van elementen uit het leven van de schrijver. Het is niet relevant waar het vandaan komt, het gaat erom wat ik ermee wil laten zien, zeggen, oproepen. Het gaat over het hoe. Niet over het wat of waarvandaan.”

In één van je verhalen zijn duidelijk flarden van je eigen leven te herkennen, vooral over je vader. Hoe is jullie band?

„Die is heel goed. Ik spreek hem dagelijks, er zijn weinig mensen met wie ik zo’n vanzelfsprekend en makkelijk contact heb.”

Wat me opvalt aan veel van je personages, is dat het leven hen nogal zwaar valt. Waarom schrijf je over zulke losers?

„Het zijn helemaal geen losers. Ik schrijf hooguit over figuren die wij – ten onrechte – losers noemen. Ik voel voor eigenlijk al mijn personages een diepe sympathie en ik vind bijna altijd dat ze zich zeer zinnig, logisch gedragen.”

Toch kun je het niet ontkennen: het zijn geen feelgood-verhalen.

„Welke geslaagde literatuur is wel feelgood? Mislukking, of in elk geval tegenslag, is de voedingsbodem voor elk verhaal. En daarnaast schrijf ik volgens mij niet zwaar, mijn taal is vrij helder, volgens sommigen licht. Dat vind ik ook belangrijk bij het invoelbaar maken van mijn personages.”

Wat is je grootste angst?

„Ik neem niet snel genoegen met wat ik doe. Of schrijf. Voor mijn verhalenbundel had ik een stuk of dertig verhalen, de meeste zal ik nooit uitbrengen. Uiteindelijk achtte ik er zeven voor nu geschikt. Mijn grootste angst is denk ik dat ook die op de lange termijn geen stand houden voor mijzelf. Dat ik over een x-aantal jaren terugkijk en denk: tja, misschien had ik het net zo goed niet kunnen doen.”