Het is hier lang niet zo saai als het lijkt hoor

Marcel van Roosmalen De schrijver bezoekt heel zijn leven al wedstrijden van Vitesse. Al is hij niet bij alle andere supporters even geliefd meer.

De mogelijkheid bestaat dat hij met bier bekogeld wordt door supporters die zijn stukjes over Vitesse niet leuk vinden. „Leuk voor je verhaal”, had Marcel van Roosmalen van tevoren gezegd. Voor hemzelf wat minder. Dan loopt hij van de tribune af. „Zaterdag wordt trouwens de Slag om Arnhem weer herdacht in de Gelredome. Dan kun je lachen. Potsierlijk gedoe met soldaten.”

Dat belooft wat, een bezoek aan het duel Vitesse-Heerenveen met columnist en schrijver Marcel van Roosmalen. Kwade lezers, bejubelde veteranen en een tribune vol zeikende supporters. Want als de Ernhemmer ergens in uitblinkt, zegt hij, dan is het zaniken. Het is nooit goed. In het verleden, toen Vitesse nog op het tweede niveau speelde, moesten zelfs eigen spelers het ontgelden. „Ach, flikker toch op man”, werd er naar ze geroepen. „Maar twee weken later stonden we gewoon weer op de tribune. Dat wel.”

Van Roosmalen (46) bezoekt heel zijn leven al wedstrijden van Vitesse. Eerst met zijn vader, totdat die een gat in zijn kop opliep door een val van de tribune. Daarna met vrienden Tom en Gijs Volman, met wie hij al bijna dertig jaar naar het stadion gaat.

Alleen niet meer zo vaak. Dat komt door zijn boeken over Vitesse. Onlangs kwam de vijfde uit, Schijt, waarin hij het laatste seizoen van clubheld Theo Janssen beschrijft. Simpel gezegd werd hij de club een beetje beu. Vooral na de overname van rijke mannen uit het Oostblok.

Het Vitesse dat hij ooit heeft aangemoedigd, die slecht presterende volksclub van stadion Nieuw-Monnikenhuize met zijn lauwe koffie, is niet meer. Nu speelt de club in een overdekt stadion waar bakjes fruit worden verkocht. „Maar dat koopt niemand hoor”, verzekert Van Roosmalen, die meermaals benadrukt dat de sfeer in de Gelredome lang niet zo saai is als het lijkt op televisie. „Lawaai zat, maar op tv lijkt het geroezemoes.”

Niet meer welkom op de perstribune

Toch is de liefde wat bekoeld. Andersom trouwens ook. Hij is niet meer welkom op de perstribune. Ze vinden het raar, iemand die ook opschrijft dat collega Gerard Borgman van De Gelderlander in de persruimte vertelt dat hij een zwak heeft voor getinte vrouwen. „Gerard was woest, maar we zijn weer on speaking terms. Op zijn verzoek hebben we afgesproken dat hij niet meer in mijn boeken voorkomt. Maar achteraf vond hij dat jammer. Hij wilde zijn cultstatus behouden, zei hij.”

Deze avond zit Van Roosmalen tussen het fanatieke publiek op de Theo Bos Tribune, vernoemd naar het overleden clubicoon wiens biografie hij heeft geschreven. Als hij daar aankomt, roept een man: „Kijk hem nou, meneer de grote schrijver.” Weer een andere man zegt alleen „schrijver”. Waarbij onduidelijk is of het om een goedbedoelde groet gaat. „Zo klinkt schrijver toch als een negatief beroep”, merkt Van Roosmalen op.

In elk geval zijn de opmerkingen onschuldiger dan een halve liter bier naar zijn hoofd. Vinden supporters zijn boeken niet leuk? „Sommigen hebben niks anders in hun leven dan Vitesse. Als ik daarmee de draak steek, voelen ze zich voor schut gezet. Het mag dan ergens een kloteclub zijn, het is wel hún kloteclub.”

Vrienden Gijs en Tom staan al op hun plekken. De een met zijn wederhelft, de ander met drie kinderen. Dat worden er steeds meer, verzucht de columnist, want er komen ook vriendjes mee. Door hen kunnen de mannen na afloop nog maar één biertje drinken in hun vaste café in de binnenstad. Terwijl hij juist toe zou zijn aan meer na de suffe 1-1 tegen Heerenveen.

Ondertussen grinnikt hij wel om een jongetje dat een rij verder zit. Die zingt: „Liever aids of tbc dan fan van NEC.” Wat in dit geval slaat op de rivaliteit met NEC uit Nijmegen. „Ik praat het niet goed, maar ik vind het mooi als een jochie van zeven dat uit zichzelf zingt.”

In dit rariteitenkabinet voelt hij zich thuis. Van Roosmalen heeft een zwak voor bijna alles wat afwijkt van het gewone. Juichen doet hij voor de antiheld, vrouwen in wijde voetbalshirts vindt hij grappig en de bloedserieuze herdenking vanwege de Slag om Arnhem vindt hij om te gieren.

Om hem heen dragen mannen speciale Vitesse-baretten in het blauw en paars van de Britse luchtmacht, maar hij schudt zijn hoofd als in de rust een fanfare in legerkledij het veld op komt. „Deze jaarlijkse herdenking in het stadion maakt Vitesse zogenaamd authentiek. Maar het is hypocriet. We hebben zogenaamd geleden, maar de Arnhemmer is iemand die in de oorlog gaat kijken wie er wint en dan met een vlag naast de weg gaat staan.” Wat hij zelf had gedaan? „Misschien bij het verzet, maar wel tegen het einde van de oorlog.”