Campert steelt show op Nacht van de Poëzie

„Het was”, las Remco Campert zaterdagavond in Utrecht voor, „zoals het altijd geweest was”. Een oude regel van Gerrit Kouwenaar – maar uit Camperts mond was het als nieuw.

De Nacht van de Poëzie kwam die avond thuis: terug in de grote zaal van het Utrechtse TivoliVredenburg. Dáár was de best bezochte poëzieavond van Nederland immers in 1980 begonnen, groot geworden en altijd blijven horen. Tijdens de lange renovatie van het muziekcentrum zwierf ‘de Nacht’ door de stad, met wisselend succes, maar kon nu terugkeren naar de oude stek. Vertrouwd, maar ook herboren.

De belichaming van deze Nacht was de 85-jarige Campert, schuifelend en broos van ouderdom, maar nog altijd op kekke felblauwe schoenen. Zijn stem kraakte toen hij zijn optreden begon met het gedicht dat zijn pas overleden vriend Kouwenaar eens voor hem schreef. Het was, in dit geval, juist niet meer zoals het altijd geweest was.

Maar, zei Campert in 1955 al en nu weer: „de dood is slechts de stilte in de zaal nadat het laatste woord geklonken heeft”. Dus ging hij door en droeg hij voor, met immer aanstekelijke levenslust. Het gedicht De eerste keer over jeugdige seksualiteit was energiek en jazzy, en de lange klassieker Lamento absoluut bedwelmend. De staande ovatie was welverdiend.

Opwinding beheerste de zaal al vanaf het begin en de aandacht zakte gedurende de ruim zeven uur die de Nacht duurde maar zelden in. Het programma was dan ook uitmuntend, met een knap uitgekiende, afwisselende en sterke line-up van dichters. Hun poëzie was eerder helder dan hermetisch, zodat het voor de volle zaal goed werkte.

De muzikale entr’acts waren ook van hoge kwaliteit, zodat ze veelal echt iets toevoegden, in muzikaal én poëtisch opzicht. Hoofdrolspeler van de tv-serie Ramses Maarten Heijmans zong liedjes van Ramses Shaffy in eigen interpretatie: Zing, vecht, huil, bid... werd een spannende rocksong met duistere coupletten en tinkelende refreinen – uit het bestaande maakte Heijmans echt iets nieuws.

Hetzelfde deed de Amerikaanse singer-songwriter Rufus Wainwright, wiens optreden een hoogtepunt was. Hij bracht geen nieuw werk ten gehore, maar was zelden zó goed bij stem als toen hij hier zijn Going to a town en Leonard Cohens Hallelujah zong. Wainwright leek het vermogen te bezitten om van zijn stem afwisselend een viool en een cello te maken.

Dat het na hem de beurt was aan de ingetogen, ‘grijze’ poëzie van de Vlaamse Miriam Van hee werkte wonderwel, evenals daarna de ironie van Groninger Jan Glas, en vervolgens de slimme en eigentijdse metaforiek van Marjolijn van Heemstra.

Aan de randen van de nacht waarde de geest van Battus nog rond in het taalspel van Anton Korteweg, en in de kleine uurtjes werd de poëzie rauwer, maar niet al te hermetisch. Alles klonk nieuw én zoals het altijd geweest was. Om met Campert te spreken: poëzie als een daad van bevestiging.