Wat zien ze hier nou in?

Een vuurrood vlak? Of een voorbode van de zelfmoord van de kunstenaar? Kijk zelf, vanaf vandaag in Den Haag. Drie kunstenaars en een recensent vertellen wat zij zien in Mark Rothko. tekst Sandra Smallenburg

Het is een schitterend slotakkoord van een tentoonstelling die toch al zoveel kippenvelmomenten herbergt. In de laatste zaal van de grote Mark Rothko-tentoonstelling in het Gemeentemuseum Den Haag, gisteravond geopend, hangt Mondriaans Victory Boogie Woogie naast het allerlaatste doek dat Mark Rothko (1903-1970) ooit schilderde. De twee meesterwerken van de abstracte kunst vormen samen een unieke dubbele zwanenzang. Mondriaan kon zijn vrolijk dansende compositie nooit afmaken vanwege een longontsteking waaraan hij in 1944 overleed. Rothko pleegde kort na het schilderen van het vuurrode Untitled (1970) zelfmoord.

Natuurlijk speelt die achtergrondkennis mee wanneer je voor Rothko’s laatste werk staat. Zo licht en luchtig als de Boogie Woogie is, zo zwaar en somber is Untitled. Het doek is geschilderd in een veel dieper rood dan het felle brandweerautorood dat Mondriaan gebruikte. Weliswaar schijnt er, net iets boven het midden, een streepje licht door de acrylverf heen, het intense rood doet toch vooral denken aan de kleur van bloed. Daarmee is het werk een macabere voorbode van de gebeurtenissen op 25 februari 1970, toen Rothko zijn polsen doorsneed.

Hoewel Mondriaan vanaf 1940 net als Rothko in New York woonde, kenden de schilders elkaar niet. Toch zijn er wel degelijk overeenkomsten te ontdekken in hun ontwikkeling van figuratie naar abstractie, zo maakt deze tentoonstelling mooi duidelijk. Net als Mondriaan begon Rothko zijn carrière met het schilderen naar de werkelijkheid. In het geval van Rothko waren dat, in de jaren dertig, nogal onbeholpen figuurstudies en ietwat stijve bloemstillevens. En net als Mondriaan vond Rothko zijn kenmerkende eigen stijl pas toen hij de figuratie helemaal overboord gooide.

In Den Haag ligt de nadruk op de stapsgewijze ontwikkeling die Rothko als schilder doormaakte. Te zien zijn vijftig schilderijen en tien werken op papier. Er is veel onbekend vroeg werk, waaruit blijkt dat Rothko lang zoekende was en zwabberend door de kunstgeschiedenis snelde. Pas vanaf 1946 stapt de kunstenaar opeens af van zijn surrealistische voorbeelden die hij eerst maakte – graatmagere figuren, spookfiguren in een ondergrondse droomwereld. Plots vervagen de contouren van zijn verfstreken en lossen de vormen op in waterige kleurvlakken. Het is alsof Rothko de lens waardoor hij naar de wereld kijkt, op onscherp heeft gezet. Je vermoedt nog wel bestaande landschappen of stillevens, maar je kunt er niet meer op focussen. Het is alsof je als bijziende door het museum loopt, en je bril vergeten bent.

Rond 1950 vindt Rothko zijn balans. Dan verdwijnt de chaos uit zijn composities, en stapelt hij zijn kleurvlakken op elkaar – als tulpenvelden die in verschillende tinten richting horizon strekken. Aanvankelijk zijn die kleurvelden nog licht en zomers, maar vanaf de jaren zestig wordt de toon van zijn schilderijen steeds somberder. Het diep melancholische werk Untitled (Umber, Blue, Umber, Brown) uit 1962 bestaat uit een donkerblauw kleurvlak tegen een kastanjebruine achtergrond. Het is een schilderij waar je ogen – als in het schemerdonker – langzaam aan moeten wennen en dat dan steeds meer gaat broeien. Je kunt er minutenlang naar staren en het gevoel hebben dat het keer op keer van kleur verschiet. Alsof er vanuit die duisternis toch nog een sprankje licht komt.

Er zullen bezoekers zijn die speciaal voor deze bekende Rothko’s naar Den Haag zijn gekomen. Aan die behoefte heeft het museum op originele wijze voorzien. Bij aanvang van de tentoonstelling kun je namelijk zelf bepalen welke route je wilt nemen: de weg van de emotie of de weg van het begrip. Loop je rechtdoor, dan volg je chronologisch de schoksgewijze weg naar de abstractie die Rothko doorliep, tot aan dat ijzingwekkende bloedrode slotstuk. Maar sla je linksaf, dan beland je direct bij de meest intense doeken uit zijn oeuvre. Zoals het duistere No.7 uit 1964, waar een zwart vierkant gevangen is in een uiterst donkerpaars kader – de kleur van rouw, van dood. Het is een van die kippenvelmomenten: een kunstwerk zo somber, maar tegelijk ook zo verschrikkelijk mooi.

De emotionele route leidt ook langs de kabinetten van het museum, waar Rothko’s mooiste werken een eigen ruimte hebben gekregen. Als beschouwer kun je hier een directe relatie met het kunstwerk aangaan – precies zoals de kunstenaar het zou hebben gewild.

Natuurlijk, er is iets af te dingen op de hinderlijke koorden die in Den Haag voor veel werken gespannen zijn – een eis van de bruikleengever. En bij een enkel schilderij zorgt spiegelend glas voor een irritante barrière tussen het doek en de kijker – iets wat de controlfreak Rothko zelf ook enorm gestoord zou hebben.

Maar het zijn slechts kleine smetjes op een tentoonstelling. Conservator Franz Kaiser heeft goed gekeken naar de manier waarop Rothko zelf zijn werken ophing: laag bij de grond, zodat de toeschouwer als het ware in de doeken kan stappen.

Bovenal – zo voel je voortdurend wanneer je rondloopt op deze tentoonstelling – is dit een unieke kans om zoveel van Rothko’s peperdure werken bij elkaar te zien. In Nederland hebben we er slechts twee, in Museum Boijmans Van Beuningen en in het Stedelijk. En reproducties doen zijn schilderijen geen recht. Het kippenvel krijg je alleen als je er met je neus bovenop staat en je laat overweldigen door de kleuren, de vormen, de sfeer. <<